In het eerste hoofdstuk van De lange weg naar huis (vertaald door Geri de Boer) vertelt Patrik Svensson over hoe de paling leeft, zich voortplant, reist… Het is een erg mooi beeld van een vis die ik ken vanuit de polder maar waarvan ik niet wist dat die de halve oceaan overzwemt en zich voortplant in de Sargassozee, ergens voor Cuba.
Om een of andere reden lees ik de laatste tijd veel non-fictie. Misschien omdat ik zelf non-fictie wil schrijven en wil weten hoe sterke non-fictie boeken opgebouwd en geschreven zijn. Ik las al over de Palestijns-Israëlische kwestie, over Cocagne, over het geluk, en nu dus over palingen. Een belangrijke les: vertel wat je weet over het onderwerp, maar wordt meteen ook persoonlijk.
Dat doet Svensson direct in het tweede hoofdstuk: hij vertelt over het avondlijke uitzetten van palinglijnen door zijn vader en het ophalen van de lijnen in de vroege ochtend. Goeie sfeer, mooie zinnen, interessante verhouding tussen vader en zoon, die dan nog maar zeven jaar oud is. Het gras langs de rivier is langer dan hij zelf.
In het derde hoofdstuk een beschouwing over de Griekse wijsgeer en natuurkundige Aristoteles, die in de paling een groot mysterie zag en de vis lang bestudeerde. Hij kreeg er geen grip op. Dat verwoordt Svensson als volgt: ‘Maar waarom slaagde uitgerekend de paling erin om Aristoteles te ontglippen?’
Grappige woordkeuze, gezien de aard van het beestje. Deze passages hebben een prachtig tempo, heldere gedachten, flink wat informatie en als het nodig is zijn er beschrijvingen. Voorbeeld van een mooi levendig meeslepend non-fictieboek, en bovendien gevarieerd want je zou het op het eerste gezicht niet zeggen maar met paling kun je alle kanten op.
Wat de basis is: het mysterie.
Niemand heeft de paling kunnen doorgronden. De Grieken niet, in de negentiende eeuw niet, in onze tijd zelfs nog niet. Hoe plantten die vissen zich voort? Hoe kan er opeens in een lang drooggevallen poel nadat er weer wat regen gevallen is weer paling in die poel zitten. Alle vis gaat dood. Paling kan in de modder overleven. Artistoteles dacht zelfs dat paling ontstaat in de modder.
Irritant zijn soms de herhalingen, zoals in het hoofdstuk over Artistoteles, want vlak nadat Svensson verteld heeft dat de oude Griek geloofde dat paling vanzelf ontstaan in de modder staat dat er weer. Of als hij het palingmysterie aanhaalt na het eerste hoofdstuk waar dat mysterie in beschreven wordt. Dan voelt de lezer zich opeens dom en benaderd als door een schoolmeester die bang is dat zijn leerling iets vergeet. In vrijwel ieder hoofdstuk wordt het mysterie benadrukt, worden vragen herhaald.
‘Waarom werden er niet meer gevonden? Hoe was het anders te verklaren…? Misschien ontdekte hij hier voor het eerst hoe diep onder het wateroppervlak de waarheid verborgen kan liggen?’
Iedere keer die vragen, maar ondertussen geen zicht op antwoorden. Het geeft de lezer het gevoel dat er met hem gespeeld wordt.
Het voelt soms een beetje als het Jeugdjournaal: een vraag opwerpen, maar omdat het antwoord ingewikkeld is wordt de vraag bij voorkeur herhaald en niet beantwoord.
Gelukkig weet Svensson voldoende tempo te houden en biedt hij een paar interessante informatie en overdenkingen. Dit kleine boek leest goed, neemt mij als visser bij de hand, laat me de gerookte paling proeven die ooit voor me op de bar werd geworpen in een kroeg in Alkmaar, neemt me mee naar een verre donkere diepe zee waar ik niks van weet, en toch stokt het halverwege.
Het mooiste aan dit boek: de rol van het geloof. Aan de ene kant is er een mysterie, dat Svensson wel erg benadrukt, en aan de andere kant de omgang met dat mysterie. Als zijn vader en de jongen een plekje hebben gevonden om hun vislijnen uit te zetten moeten ze erop vertrouwen dat het een goed plekje is. Dat zullen alle vissers herkennen. Je let op het water, de stroming, de mogelijkheden om te zitten, licht en schaduw, bomen… Maar je weet nooit zeker of het echt een goeie visplek is. ‘We wisten het dus niet, maar we dachten van wel – soms moet je erin geloven. Daar gaat het bij vissen immers vaak om.’
Die waarheid markeert de sterkste passages in dit boek over vissen, de sprekende Old Men and the Sea-wijsheden, maar wordt ondergesneeuwd door het mysterie en het opgeklopte zoeken naar de levensloop van de aal. De paling heeft, door zijn ondoorgrondelijke levensfasen en vreemd voortplantingspatroon iets bijzonders in zich dat ook dit geloof raakt: ‘… ook heden ten dagen nog tot op zekere hoogte aangewezen zijn op geloof.’
Hier was ik naar op zoek.
En verderop, als het weer over Svensson en zijn pa gaat, en de rivier waar ze allebei opgroeiden: ‘Die (rivier) herinnerde er eerder aan hoe weinig je eigenlijk weet.’
De paling in de rivier, het stromende water, de mens zelf, je kunt een omgeving wel in je opnemen en je eigen maken, veel blijft onbekend. De paling is daar een sprekend voorbeeld van. Dat verhaal is genoeg.
Geloof, mysterie, openheid in denken, het brengt Svensson van de rivier uit zijn geboortestreek bij de oude Grieken, bij Freud, terug bij zijn vader. Die weg is mooi maar non-fictie is alleen behapbaar als het ruimte biedt, als er een levendig spel gespeeld wordt tussen verteller en lezer. In die zin verschilt dit genre niets met echte fictie.
Als Freud gaat zoeken naar de testikels van de paling neemt Svensson letterlijk een brief over die Freud schreef over zijn werk. In die brief staat alles wat zojuist in dit boek vooraf is gegaan, over Aristoteles, de modder, eitjes van de paling. De brief vertelt me dat Svensson dit als basis heeft genomen voor dit boek. Het voelt als een verzameling oude kennis die verbonden is met zijn eigen verhaal. Leuk, maar sleets. Svensson ontdekt niets nieuws, behalve zijn relatie met zijn vader.
De paling wordt een kapstok voor dat verhaal, en dat is de vis en zijn mysterie niet waardig. De schrijver laat zijn constructie en totstandkoming van dit boek zien, en dat is jammer.
Freud onderzoekt in Triëst hoe palingen zich voorplanten en dat hoofdstuk wordt gevuld met: ‘Hoe plant de paling zich voor?’ en ‘Wat vond Freud dan wel…?’ Ik begrijp dat onderzoek wel, ik begrijp niet dat Svensson er een schools opstel van moet maken waarin de vragen zich blijven herhalen.
‘Het raadsel van de voortplanting van de paling bleef bestaan,’ lees ik herhaaldelijk, zelfs zo vaak dat mij die interesse wordt weggenomen. Als vervolgens nog een paar Italianen en een Deen op onderzoek uit gaan, allemaal netjes verzameld door Svensson, de Zweed, en er staat weer een compleet citaat van ene Grassi: ‘Als ik bedenk dat dit mysterie de wetenschappers als sinds de tijd van Aristoteles bezighoudt…’ en onderaan dezelfde bladzijde staat dat een Duitse zoöloog de oplossing dacht te vinden voor het ‘palingmysterie’, waarna weer een heleboel vaak herhaalde vragen komen over waar de palingen heen zwemmen, dan weet ik het wel.
Ik wil die vis niet meer. Zijn mysterie idem dito. Ik weet inmiddels wel van die Sargassozee, ik geloof het wel en wil daar niet nog honderdvijftig bladzijden op wachten. Ik ga bladeren.
Het mysterie wordt de nek omgedraaid, of om in termen van de paling te blijven: het mysterie ontglipt de aal.
Ach, natuurlijk lees ik wel door, maar ik ben mijn sympathie voor het aalverhaal al kwijt. In een hoofdstuk waarin een romantisch beeld wordt geschetst van pittoreske palingvissertjes in pittoreske palinghutjes wordt gesteld dat we de paling moeten beschermen. Onduidelijk verhaal, want verbod op palingvissen is niet in orde, daarmee verliezen de mensen hun belangstelling in de vis. En dat is niet goed voor de vis. Dat gaat veel te snel. Ik denk dat de paling prima zonder mensen en hun vishaken en belangstelling kan. Die modderkruipers redden zich wel. Maar volgens Svensson houdt de belangstelling van de mens de soort in leven en mag een paling niet alleen voor zichzelf bestaan.
Ja ja, ze zwemmen de hele oceaan door voor een Zweedse schrijver om hem de relatie tussen mens en natuur te tonen. Een amusante passage die veel van de moderne denkfouten over de natuur herbergt: het beschermen van de aarde door de nobele mens is belangrijker dan de aarde zelf.
Als palingen konden lezen, in al hun mystiek en wijsheid, dan zouden ze gniffelen om deze åleschrijver.
De verhalen zijn soms mooi, vooral over zijn vader, en dat lees ik met plezier, tot er toch weer staat: ‘De paling is altijd iets bijzonders geweest,’ en zestig bladzijden verder: ‘Het geheimzinnige heeft zijn eigen aantrekkingskracht,’ en Svensson deze slangenvis tussendoor ook nog gaat vergelijken met de zalm, die de paringsweg andersom aflegt, die tegen watervallen op kan springen en glinstert in de zon, en die gerookt met pasta en een beetje crème fraîche niet te versmaden is, dan ben ik vertrokken.
Niet helemaal ben ik vertrokken hoor, eerder afgedwaald. Dan denk ik aan het verhaal van een vriend van me met wie ik soms ga vissen. Hij komt uit Groningen. Hij vertelde dat ze vroeger een afgesneden paardenkop aan een stuk touw in een of andere vaart gooiden om alen te vangen. De volgende ochtend zat de paardenkop vol met alen die zich daar een weg invreten. Dertig of veertig alen was geen uitzondering. De kop werd op het land getrokken, de palingen opgepakt. De kop werd weer teruggegooid. Het trucje werkte nog wel een keer, misschien ook nog wel een derde keer tot de paardenkop echt helemaal leeg gevreten was.
Zo’n verhaal uit Groningen is anders dan hetzelfde verhaal uit De blikken trommel, een boek dat Svensson aanhaalt. Die paardenkop is niet van papier. De lange weg naar huis biedt een heleboel verhaaltjes die allemaal wat lief zijn, romantisch haast. Ik hou meer van de cowboy-verhalen die er zeker ook zijn maar die hier weggelaten zijn. Misschien omdat Svensson met zijn vader viste en de andere vissers vooral vanaf een afstandje beschreven heeft, en daarnaast de boeken ingedoken is. Ga even kletsen met de vissers, denk ik dan. Haal hun verhalen uit de bodem van het water. Dan komt het beeld van visjes vangen wat meer in de buurt van de beleving van vissers, en ook van de vissen zelf, want een vis zal nooit zeggen dat hij zo mysterieus, zo bijzonder en zo ongrijpbaar is. Vissen weten dat ze ooit gegrepen worden, desnoods door een paardenkop.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen