Ik kocht De zoon van Philipp Meyer jaren terug omdat ik de vorige roman van Meyer (Roest) goed vond en omdat dit boek in de lange lijst van Amerikaanse boeken staat met een paard op de cover – altijd goed. Er staan zelfs twee paarden op. Dat komt hoogstwaarschijnlijk omdat Meyer in dit omvangrijke boek drie personages volgt (aan het einde voegt zich daar nog een personage bij), op drie verschillende manieren, in drie stijlen, uitgesmeerd over drie periodes van de Texaanse geschiedenis. Er had evengoed een kudde paarden op het omslag kunnen staan.
De roman heeft voor- en nadelen, maar op een andere manier dan het boek waar ik vorige week over klaagde – die eindeloos kabbelende twijfelachtige vertelling van Johan Harstad. Dat heeft De zoon zeker niet, maar dus wel veel personages: dat schrikt af en geeft in zeker zin een voorspelbaarheid in de structuur, want we gaan ombeurten die personages volgen, en het verschil in spreekstem doet wat geforceerd aan. Het voordeel: Meyer schenkt je de geschiedenis op een grootse en meeslepende en welbespraakte stellige manier, vlot verteld vanuit drie personages die onderling verbonden zijn, dus het verhaal is groot maar ook persoonlijk.
Allereerst is daar Kolonel Eli McCullough, die bij de indianen terecht komt. Het hoofdverhaal, het vertrekpunt. Het Dances with wolves-verhaal. Eli vertelt goed, maar toch krijg ik nooit het idee dat een man die even oud is als de staat Texas zelf aan het woord is. Philipp Meyer is aan het woord, maar dan als ik-verteller vermomd als Texaan van bijna tweehonderd jaar geleden.
Hetzelfde geldt voor het dagboek van Peter, de zoon van Eli, een jongen die erg worstelt met zijn familie, zijn vader en met zichzelf. Het grootste probleem: dit dagboek is geen dagboek.
‘Ik heb altijd gedacht dat ik in de oude staten geboren had moeten worden, want al is hun bodem nog meer van bloed doordrenkt dan de onze, daar hebben ze hun wapens niet meer nodig.’
Dat is de zin van een schrijver die zijn personage wil laten vertellen, geen zin van een personage dat zelf vertelt.
Zijn beschrijvingen zijn beter dan zijn gedachten, bijvoorbeeld als Peter in een volgend hoofdstuk vanuit zijn stem verteld, of beter gezegd: opgeschreven, verslag doet van de range:
‘Terwijl hij en Sally Glenn aan het verbinden waren, praatte ik met de sergeant van de Rangers, een blonde knul met harde trekken, die eruitziet of hij uit een gevangenis ontsnapt is.’
Meyer wil ons vertellen dat die knul blond is en hoe hij eruit ziet, in een dagboek schrijf je doorgaans niet op hoe de sergeant eruit ziet, misschien noem je zijn naam, je weet immers wie hij is of hij eruit ziet. Of je moet een verslag maken voor het nageslacht. Maar dat zie ik hier nergens terug.
Dat gesprek met de sergeant wordt aangekondigd, en verderop gebeurt het ook nog: een dialoog in een dagboek. Met losse zinnetjes, als een toneelverslag van die dag op de range: ‘Nou, ik weet het zeker, pa.’
Dagboek? Niet dus, maar als ik door de drie gekozen vormen heen prik en simpelweg ga lezen komen er wel drie stemmen tot me die veelzijdig zijn, gevarieerd en levendig, die erg veel personages oproepen, een goed beeld geven van de range en de andere bewoners van de vlakte, die een inkijkje bieden in het leven van de natives, die alle menselijke trekjes die er maar zijn laten passeren. Kortom: een sterk boek dat erg goed leest en me mee kan nemen naar die tijd, aan de hand van deze personages.
En toch lukt dat niet helemaal. Zoals Meyer me op de achterflapfoto me indringend aankijkt zo blijven het net te vaak zijn stem en zijn woorden die zijn personages uitbrengen, en dat maakt deze roman geforceerd.
Die Kolonel Eli neemt de grootste hoofdstukken voor zijn rekening. Mooie verteller hoor, eigengereid persoon, breedsprakig. Maar dus niet altijd passend bij een verteller uit de negentiende eeuw in Amerika. Soms zou je willen dat hij even zijn mond houdt en dat Meyer hem aan de hand van een sobere derde persoonsverteller zou beschrijven, zoals hij bij de achterkleindochter Jeanne Anne wel doet. Die afstand heeft de setting en de tijd, de vertelling heeft die afstand niet. Die vertelling over Jeanne Anne, die soms wordt aangeduid als J.A. McCullough en soms voluit, klopt precies.
Toch… Als de Indianen Eli en zijn broer meenemen begint het verhaal: hard en avontuurlijk. Dan word je als lezer echt wel meegenomen. De kortere passages vanuit de achterkleindochter en zoon leggen het af tegen de basisvertelling vanuit Eli omdat die vertelling al enige de spanning van het moment heeft. De burenruzie met de Garcia’s van Peter is een prima verhaal en de perikelen in de oliebranche van de achterkleindochter doen denken aan afleveringen van Dallas, het tegen zijn wil in aanklampen bij een gewelddadige Indianenstam is niet te overtreffen. Waar Peter beschouwend terugkijkt gebeurt er bij Eli zo veel, er is geen tijd voor beschouwingen. Als zijn broer zich heeft onder gescheten en nog met zijn zusje tobt, die verkracht en vermoord is, voelt Eli voornamelijk afstand tot zijn familie, en dat zal zijn aanpassingsvermogen voeden.
Zeven jaar geleden schreef Graa Boomsma in de Groene Amsterdammer een recensie over De zoon:
‘Meyer heeft met De zoon niet alleen de genocidale geschiedenis van Texas geschreven, hij heeft de McCulloughs ook tot een familie gemaakt die de Amerikaanse samenleving van de laatste 150 jaar weerspiegelt. Ergens staat de verzuchting: ‘Maar zo was het mensenras. Van aarde naar zand, van vruchtbaar naar dor, van vruchten naar doornen. Iets anders kunnen we niet.’
De roman weerspiegelt het Amerika van de laatste 150 jaar, dat kan bijna niet anders met zo’n breed opgezette familiegeschiedenis. Toch zegt dat nog niets over het boek zelf, over de manier waarop Meyer zijn vertellers het woord geeft, hoe die verschillende personages zich tot de lezer richten en welk effect dit heeft. Het is jammer dat Meyer als schrijver in al die passages steeds een stapje naar voren doet, iets wat zijn grote voorbeeld (kan bijna niet anders) Cormac McCarthy juist niet doet. De volzinnen die zijn personages achter elkaar weten te krijgen staan ver af van de harde Texaanse realiteit. In feite weerspiegelt de roman niet alleen de geschiedenis van de Amerikaanse samenleving maar ook de manier waarop heel veel romanschrijvers zich vergalopperen aan hun ambitie een historisch personage, in dit geval een paar complete generaties, een stem te geven. Het blijft de stem van de schrijver.
‘We volgden een beekje omhoog tussen de bomen en boven stond een stoet indianen op ons te wachten; honderden, allemaal helemaal het heertje, met beschilderde broekspijpen en mantels en hertenleer, koperen armbanden en oorringen, schitterend en bengelend.’
Mooie beschrijvende zin, erg goed ritme, beeldend, kleurrijk, maar niet de zin en het ritme van een ik-verteller die in 1836 in Texas geboren is. De derde persoon waarmee Meyer de achterkleindochter laat zien, de kortste passages uit de roman, zijn afstandelijk, gaan over een personage uit onze tijd, hebben dezelfde schwung in de zinnen en brengen mij vreemd genoeg dichterbij het verhaal dan de twee mannelijke ik-vertellers die hun levens en, zoals ooit in recensies werd aangestipt, de geschiedenis van Texas, beschrijven. De zoon is een les in keuzes die gaan over vertellen op afstand en het naderen van de lezer.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen