Het kan prima: beschrijven in de derde persoon en tegelijk gedachten van het personage dat gevolgd wordt weergeven. Er zijn aspirant-schrijvers die denken dat daar regels voor zijn, die misschien eerder nog behoefte hebben aan regels, maar waar het in principe om gaat: het kan, maar het moet op een of andere manier gedoseerd. Iedere keuze heeft effect op de lezer, en steeds in en uit beschrijvingen, steeds in en uit het hoofd, dat is verwarrend, als het niet goed gedoseerd is.

In Roest van Philipp Meyer (vertaald door Arjaan van Nimwegen) wordt om de paar alinea’s heel kort even een inkijkje in het hoofd van een van de hoofdpersonen gegeven. Isaac gaat bijvoorbeeld weg bij zijn pa, in de eerste alinea, en dan staat er: ‘Ontsnapping uit het gekkenhuis. Zodra iemand je ziet sturen ze de honden op je af.’

Dat is de gedachte van die jongen, die zichzelf ook nog toespreekt, net als even verderop: ‘Zou Poe meegaan? Waarschijnlijk niet.’ Even een paar woordjes in het hoofd, om er direct met een mooie beschrijvingen van stadje, land of leven in Pennsylvania weer terug te keren naar de derde persoon.

De truc is dat als die gedachten ruimer opgezet worden, dat het decor en de derde persoons-stem verdwijnen. Dan wordt opeens het beschrijvende proza vreemd, als die verteltrant weer terugkomt. Gedachten weergeven lijkt directer, want de lezer volgt het personage van binnenuit, maar te veel gedachten maakt eigenlijk van het beschreven personage een verkapte ik-verteller. Geen verteller, een denker – en dat is iets anders. Het is een film waarin een personage iets doet en er een voice-over klinkt van zijn gedachten.

In Roest laat Meyer zien dit spel bijzonder goed te beheersen en dat hij lef heeft deze afwisseling van stemmen aan te gaan. Er schuilen veel gevaren in: meerdere perspectieven laten lezers twijfelen. Daarnaast volgt Meyer niet alleen Isaac, maar ook zijn kompaan Poe, de zus van Poe, de moeder, een politieman…

Al op de zesde bladzijde tekst begint Meyer opeens in de jij-vorm, over Isaac, die ooit in de winter in koud water sprong. ‘Terwijl jij op je moeder lijkt.’ Praat de jongen opeens tegen zichzelf? Of wordt Isaac aangesproken, en door wie? Meyer die hem toespreekt? Het maakt allemaal niet uit, het verlevendigt in ieder geval het proza, omdat ik bij die alinea steeds wel weet dat de stem van Meyer het wel weer gaat overnemen. Alleen met dat vertrouwen zijn deze vertelspelletjes in proza mogelijk.

Al eerder schreef ik over een roman van Meyer, De zoon en in dat stuk noemde ik Roest al, want ik las deze roman eerder, maar ik schreef er niet eerder over. De zoon is breder opgezet, veel meer een familieroman, over een langere periode. Roest zit vast aan oud ijzer, en op die manier zit de roman vast aan een paar personages. Verval is het overkoepelende thema.

Het is me lange tijd, tijdens het herlezen, onduidelijk in welke tijd de roman speelt. Na de crisis, lees ik op de achterflap, maar dat kan evengoed de crisis van de jaren dertig zijn als die van de jaren tachtig. Dat tijdloze, ook al weet ik wel dat het om de crisis van de jaren tachtig gaat, maakt Roest ook bijzonder. Het is geen cowboyverhaal, mijn geliefde genre, wel een verhaal over loskomen van grond en ouders, over vertrekken, over in leven zien te blijven na ongelukje dat altijd gezien zal worden als een onomkeerbare misdaad. Dat gewicht drukt op de jongens.

Een mooi voorbeeld van hoe Meyer na die fatale gebeurtenis zijn perspectief laat wisselen:

‘Hij trok zich langzaam terug van de weg tussen de bomen aan de rand van het erf, hij zou wachten tot ze naar bed was, zulke dingen kun je niet vertellen. Ze zou het tegen zijn vader zeggen, maar christus, hier in de stad kreeg hij het toch wel te horen. Hij dacht dat zijn moeder die oude rotzak misschien weer zou laten terugkomen. Toen je hem daar zag met die wiskundelerares, vierentwintig jaar oud, godverdomme. Knipoogt hij naar me. Heb ma er niks over verteld, had ik toch moeten doen nu ze hem weer terugneemt.’

Poe zit in een t-shirtje buiten in de sneeuw te wachten tot zijn moeder gaat slapen en hij rustig de caravan in kan sluipen. Liever in de kou zitten, dan haar nu moeten vertellen wat er gebeurd is. Zulke dingen. Meyer begint met een beschrijvende zin met bomen en een erf, en langzaam volgen de gedachten van de jongen, wat de moeder van plan is, een vloek, een klein beeld van zijn ouwe, een knipoog, allemaal bepalende flarden die langs waaien als de sneeuw.

Als de vertelling klopt vallen de details op z’n plaats. Meyer laat verschillende personages zien, spreekt ze toe, kruipt in hun hoofd en er weer uit, en laat details spreken. Zoals in de scène waarin de moeder van Isaac de werkvloer van de kledingfabriek op komt lopen, waar ze zelf werkt: ‘Alleen Jenna Herrin en Viola Graff keken op om te groeten, de anderen knikten of tilden hun pink op.’

Vergeet die namen, het gaat om die pink. Als je achter een naaimachine zit en stof langs een naald met draad moet duwen, dan kun je niet je hand opsteken naar iemand die binnenkomt, zelfs niet je wijsvinger, voor een gebruikelijke groet. Dan kun je alleen je pink opsteken. Meyer weet dat, hij heeft dat ooit gezien, want deze details zijn moeilijk tijdens het schrijven te verzinnen. Het zijn beelden die me vertellen dat hij weet waar hij over schrijft.

Een klein geestig zinnetje staat een paar bladzijden verder als dezelfde moeder, Grace, bezoek krijgt van haar ex die ze misschien weer in huis wil halen, bij gebrek aan beter. Er is wel ene alternatief, politieman Bud Harris, met wie de jongens natuurlijk ook nog te maken zullen krijgen, maar ze heeft hem al twee keer laten zitten, en opnieuw vragen zal moeilijk zijn. Toch denkt ze aan deze Harris. Ze denkt aan deze man en je begrijpt wat ze voor hem voelt, je voelt de fysiek, de toon is grappig, en in de beschrijving weet je direct ook genoeg over die andere man, zonder uitgebreid een verhaal op te hangen, want er staat alleen: ‘Met Bud kon het glijmiddel onder het bed blijven.’

De mannen in een kroeg worden zakelijk en toch levendig beschreven. De jongens noemen het ouwe lullen, Meyer schetst een vergelijkbaar beeld, maar anders uitgedrukt: ‘Het waren grotendeels oudere mannen in glimmende vakbondsjacks of jagersjassen, met gezwollen gezichten door het werk te dicht bij de gloeiende ovens, of door buitenwerk of door helemaal niet werken.’ Die laatste toevoeging is de relativering die de eerste zware beschrijving nodig heeft, want dit stadje gaat niet alleen gebukt onder een crisis, onder werkloosheid, het sluiten van een staalfabriek, het stadje gaat eveneens gebukt onder de mensen zelf, en of ze nou werken, jagen of niks doen, de mannen hebben hier opgezwollen gezichten. Dat beeld, volledig en even schrijnend als warm, maakt dat je plaats en tijd bijzonder goed voelt.

Hetzelfde geldt voor de passage waarin Poe, een sterke en slimme jongen, samen is met de zus van zijn vriend en concludeert dat alles met elkaar verbonden is:

‘Ze gingen op de achterveranda zitten op de bank met een deken over zich heen, hun gezicht was koud maar de rest warm, ze hoorden de beek het ravijn in stromen waar het samenkwam met een andere beek en daarvandaan de rivier bereikte. En daarvandaan, dacht hij. Daarvandaan kwam het in de Ohio terecht, en de Ohio in de Mississippi en dan verder naar de Golf van Mexico en de Atlantische Oceaan, alles was met elkaar verbonden. Alles is met elkaar verbonden. Alles betekende iets. Hij dronk nog wat wijn. Hij was gewoon dronken.’

In mijn eerdere stuk over Roest schreef ik over een beekje, even kabbelend en ritmisch en als een stroompje als hier. Ik denk aan de rivier in het dorpje waar ik opgroeide, ik denk aan mijn jeugd, aan een veranda die niemand had. Alles is verbonden. Die rivier komt terug verderop in het tweede deel, wanneer politieman Harris eerst een korte duiding geeft van de huidige maatschappij, waarin agenten de schuld krijgen, en mensen er een tweeslachtige mening op na houden:

‘De politie moet agressiever optreden, zeiden ze, tot je hun zoon betrapte als hij een auto gestolen had en hem iets te hardhandig aanpakte, dan was je een monster.’

Harris begrijpt de mensen en op welke manier hij een rol speelt in de samenleving. Hij beschermt Poe, voor zo ver hij kan. ‘Het was het nadeel van werken in een kleine stad, je kent degene die je arresteert, en hun moeders. Maar in dit geval ging hij met de moeder naar bed en dat was toch wel meer dan dat.’

Dus ging hij op zijn nieuwe politiekantoor, een betonnen bak, even uit het raam zitten kijken, met een sigaar, naar de rivier, zoals hij eerder ook al uitkeek over de drie staten die hij vanaf zijn eigen huis kan overzien, 65 kilometer zicht:

‘Zoals altijd lag er een berg papierwerk, maar hij besloot zich nog een tijdje uitzicht over de rivier te gunnen, twintig minuten kijken hoe de lucht verandert, hoe de rivier doorstroomt. Dat deed hij al voordat de mens hem gezien had en hij zou er nog stromen als iedereen dood was. Een goede manier om zijn hoofd helder te krijgen. Niets waartoe de mensheid in staat was, het slechtste van de menselijke aard, het zou nooit lang genoeg blijven hangen om iets uit te maken, elke rivier of berg kon je dat duidelijk maken.’

Roest is een warm, sfeervol, zeer goed geschreven, schrijnend en hard boek, dat ik zeker de komende vijf jaar nog een keer ga herlezen. Dat is iedereen aan te raden, lezers en schrijvers kunnen veel van het doseren en vertellen van Meyer leren.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen