Het water moest weggepompt. Het water was in deze polder de basis.
Toch zag je vooral de vlakte, niet een horizon van water die ergens in de verte overging in de zon, maar de strakke groene lijn van de weilanden die op deze kleibodem bleken te liggen, en daarboven de blauwe lucht, de Hollandse wolken.
Als ik aan de polder denk, denk ik nooit aan water, behalve aan de regen waar je doorheen moest fietsen om op school te komen, en aan viswater. Aan het riviertje in het dorp. Aan het kanaal met de betonnen brug, even plat als het land, en de gele ijzeren leuningen. De vaart bij de molen die nooit draaide – die het wegpompen van het water al opgegeven had, of die werkloos was gemaakt door het mechanische gemaal even verder.
En toch was het water bepalend. Toch was er de angst voor het water, en niet alleen uit de verhalen van vroeger. Die angst zat in dit platte land.
Mijn nieuwe buurt ligt in een diepe polder. De ringvaart, daar moet het water naartoe. Zelfs de twee slootjes vlakbij ons huis hebben een verschil in waterstand. In hoogte. Het slootje aan onze kant is het laagst.
Vlak voor de molen van Sloten is een sluis. De deuren draaien de kant van de ringvaart op en ze zijn te groot voor de breedte van dit water, zodat ze tegen elkaar aankomen en goed sluiten, en ons beschermen.
Dat was de polder vroeger ook: land dat zo maar weer water kon worden. Dat zag je niet, maar dat voelde je wel altijd.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen