Mijn dochter moest een prik halen, of eigenlijk twee. We kregen twee brieven met een heleboel kleine briefjes erin, niks digitaal, en een herinnering per sms, en die vrijdag fietste ik met haar naar het consultatiebureau waar ik al vaak geweest was, maar dat ging over een heel andere zaak die ik uitgebreid in mijn aankomende roman zal beschrijven. Dit was een vrolijke middag, ondanks de prikken.

Mijn dochter had een slobbertrui aan, dat was handig. De papiertjes vertelden dat er twee prikken waren, tegen baarmoederhalskanker en meningokokken – dat eerste is bekend, dat laatste vooral een heel vreemd woord: mening en kokken, aan elkaar geknoopt door een o. Die prikken deden ze maar even tegelijk, dan was hoefden we niet meer terug te komen.

Dat vond mijn dochter goed, en ik ook. Ze kreeg dus in haar linker bovenarm en ook rechts een prik. Dat deed geen pijn, de volgende dag werden haar spieren wat hard, zondag had ze geen last meer.

Ik dacht aan de eindeloze reeks bloedonderzoeken die ik kreeg vanaf 2003, toen ik aan teelbalkanker geopereerd was en de arts zei: ‘Je moet het eerste jaar wel even iedere maand hier komen, dan kijken we naar de waardes in je bloed.’

Op een gegeven moment kende ik de buisjes en de waardes uit mijn hoofd, dan hoefde de arts niet meer te zeggen dat er niks veranderd was ten opzichte van de vorige keer – verandering is niet goed. Stijgen de waardes, dan is het niet goed.

In het tweede jaar werd ik zes keer geprikt. De mensen van het lab in het ziekenhuis werkten in kleine kamertjes, met gordijntjes ertussen. Als ze mijn onderarm zagen zeiden ze allemaal: ‘Bij jou hoef ik niet te zoeken.’ Mijn aderen zijn gekleurd en goed zichtbaar, ze liggen bovenop mijn armen. Toch presteerde nog wel eens een prikker om er naast te prikken, of er finaal doorheen, zodat er een onderhuidse paarse vlek ontstond.

Dat was ook zo weer verdwenen. Die vaccinaties hebben mijn kinderen allemaal gehad. Mijn jongste zoontje krijgt er nog een paar. Wat ik wel opvallend vind is de weerstand die welke prik dan ook tegenwoordig oproept. Inentingen bij kinderen, vaccineren tegen corona, de baarmoederhalsprik. Het lijkt allemaal niks met mijn bloedprikken te maken te hebben, maar dat heeft het wel.

Ik dacht die middag in het consultatiebureau aan al die keren dat ik in zo’n prikstoel lag en vijf jaar lang gewoon daarheen ging, nooit een dag gemist, en een paar dagen later de afspraak met de arts die me gerust stelde, steeds die onveranderde waardes. Ik wist precies wat er die vijf jaar ging gebeuren. Ik had vertrouwen in de mensen die prikten, in de waardes die bekeken gingen worden, in de arts, in mijn eigen inschatting van de waardes, in het tijdspad, in de reden waarom ik al die controles afliep, en dat zelfs nog met een jaar verlengde omdat ik dat zesde jaar ook wilde weten hoe ik ervoor stond.

Ik had vertrouwen in de hele handel. Met dat vertrouwen liet ik me opereren, met dat vertrouwen liep ik de controles af, met dat vertrouwen schudde ik de arts na zes jaar de hand en namen we afscheid.

Jan van Mersbergen