Vorige week zag ik een aflevering van Tygo in de psychiatrie. Een stuk of drie, vier patiënten kwamen in beeld, met verschillende stoornissen. Daarnaast was vooral Tygo Gernandt in beeld, indringend turend in de camera, met een beeld dat verspringt en knippert. Misschien om de verwarring extra te duiden.
‘Tygo Gernandt duikt in de gesloten wereld van de psychiatrie. Hij onderzoekt hoe psychische labels worden opgeplakt,’ meldt de tv-gids.
Die gesloten wereld valt wel mee. Tenminste, iedereen die hulp nodig heeft kan zich melden. Dat niet iedereen direct hulp krijgt heeft te maken met het geweldig grote aantal mensen dat hulp vraagt en met de onduidelijke klachten en met de uiteindelijke wil om hulp te aanvaarden, maar daar had niemand het over. Er kwamen dan ook geen deskundigen of behandelaars aan het woord, behalve een man gaf van een afstandje een betoog hield over de zorg en het effect van het plakken van labels.
Met dat onderzoeken van die labels viel het ook wel mee. De stellingname stond bij voorbaat al vast. Gernandt bezoekt een aantal kwetsbare gevallen, zij vertellen stuk voor stuk dat ze een verkeerde diagnose kregen, en vervolgens zegt de presentator: ‘Wat bizar,’ en daarna wordt de verkeerde diagnose herhaald, en de gevolgen.
Het probleem is: niemand weet wat die mensen mankeert. Hulpverleners proberen daar achter te komen, de patiënt zelf weet ook niet wat hem of haar mankeert. Ze weten echter wel heel gauw en met zekerheid dat een ander de verkeerde diagnose stelde.
Nu heb ik zelf alleen indirect ervaring met deze problemen of hulpverlening. Ik ken mensen die precies de klachten hebben die alle patiënten in deze aflevering van dit programma bij elkaar hebben en die na jaren niet de juiste zorg hebben kunnen krijgen. Dat ligt niet aan de zorg. Dat ligt aan de combinatie van problemen, de angst om die problemen werkelijk op te lossen, het niet mee willen werken aan hulp en het verlies van aandacht als het probleem verdwenen is. De aandoeningen houden zichzelf in stand.
Gernandt verzucht in de auto op weg van de ene patiënt naar de andere: ‘Waar ben ik in terecht gekomen? Waarom kun je niet, als je ergens mee zit, eerst gaan praten over wie je bent? Je krijgt meteen een label.’
Je hebt een probleem, je voelt je niet lekker, je bent ongelukkig, je kunt niet uit bed komen, je snijdt iedere dag je armen open, je eet niks meer, je denkt dat je allerlei ziektes hebt… dan ga je naar een hulpverlener. Die gaat praten.
Meestal is er niks te zien, aan de buitenkant. Dus het praten is een inkijkje naar de binnenkant. Daar is iets mis. Maar laat de patiënt dat zien? Er spelen schaamte, het verbergen van emoties, wegkruipdrang. Van alles. Ieder woord stuurt de hulp, en meestal de verkeerde kant op.
Een man vertelde dat hij heel erg slecht ging. Hij probeerde zijn hulpverleners te bellen. Dat lukte niet. Hij was hypochonder: hij was ervan overtuigd dat hij allerlei aandoeningen had. Het label dat hij echter eerder opgeplakt had gekregen was niet goed. Met andere woorden: iemand die nu aandoeningen verzint, om wat voor reden dan ook, maar die een behandeling van wat hij misschien heeft afwijst, want die diagnose klopt niet.
Wat moet die man hiermee, wat moeten andere mensen hiermee?
Een jongen die zichzelf vreselijk toegetakeld had – snijden in zijn armen – wilde weer gaan studeren, maar nu moest hij voor een tentamen naar een plek waar hij eerder was geweest, was behandeld, was aangehouden, waar ze hem niet begrepen. Hij had gevraagd of hij dat tentamen niet ergens anders kon doen, maar dat kon niet. Daar lag het aan, was de toon. Belachelijk, waarom kan dat niet?
De jongen liep over van de angsten. Hij wilde dat zo min mogelijk bij anderen neerleggen, hij trok zich totaal in zichzelf terug, maar toch moest de beveiliging hem uit de tentamenzaal verwijderen. Dat stoort, dat valt op, daar had hij weer een label te pakken.
Het was een aandoenlijke jongen, die eruit zag als veertien maar dus al de leeftijd had om te gaan studeren. Niemand weet hoe je zo’n jongen moet behandelen, hij zelf ook niet. Hij was vertwijfeld, angstig, onzeker. Hoe bouw je dat op?
Hem op dit moment laten studeren leek zinloos, zelfs schadelijk. Maar in het tv-programma was dat de droom die hij najaagde. Niemand ging tegen hem zeggen: ‘Jij hebt misschien eerst andere zaken op orde te krijgen.’
Je kunt hem in beeld brengen en vervolgens je afvragen waarom de psychiatrische zorg in onze samenleving zo bizar slecht is. En vervolgens geen antwoorden geven, alleen je eigen grote hoofd knipperend in beeld tonen. Je kunt ook stellen dat deze man zorg nodig heeft en vooral anderen niet mee moet slepen in zijn gedachten. Dat viel bij deze jongen wel mee, maar dat is wel de schade die deze patiënten aanrichten: geliefden, familie, vrienden, iedereen moet meegezogen worden in deze draaikolk van waanzin.
Als je corona hebt moet je geïsoleerd worden, zodat je niemand aansteekt. Iemand met een psychische ziekte legt door vage en wisselende klachten niet alleen een enorm druk op de hulpverlening, maar zeker ook op zijn of haar directe omgeving. Isolatie is een hard maar absoluut noodzakelijk middel.
Ik ben erg lang meegegaan in de zorg voor een patiënt die vlakbij me stond, tot ik uiteindelijk voor mezelf moest kiezen en weg was. Dat was voor mij de enige oplossing. Behandelingen en zorg, therapie, onderzoeken, gesprekken, opvang, hulp aan huis, alles is nog volop in gang. Er is nog geen enkel resultaat geboekt.
De keuze om weg te gaan, omdat je het anders zelf niet meer redt, is bepalend. Die keuze geeft ook aan dat er voor dat moment geen verandering op zal treden, en daarna ook niet. Alles blijft zoals het is. Iedereen zal hiermee geconfronteerd worden, het maakt niet uit wie. Ga jij weg dan volgt een ander. Het is een virus dat zich via sociale wegen verspreid. De bron zal dit zelf niet stoppen.
Tygo Gernandt zal het goed bedoelen. Hij maakt een tv-programma, op het eerste oog zonder afstand. Zijn medeleven (hij is een acteur) is moeilijk te beoordelen. Zijn medeleven hoeft ook niet beoordeeld: niemand heeft er iets aan. Hopelijk neemt hij de problemen van deze mensen niet mee naar huis.
Tegen de vriend van een suïcidale vrouw die ook een verkeerd label had gekregen en die vroeger wel heel vrolijk was, maar door die verkeerde zorg niet meer (over de impact van de verkrachting op haar zeventiende werd niet meer gesproken), zei Gernandt: ‘Het moet voor jou ook heftig zijn geweest.’
Dat was inderdaad zo. De vrouw zei tussendoor nog wel dat het akelig was wat ze hem en andere naasten aandeed. Ze dacht de hele dag aan manieren om dood te gaan. Haar zelfmoordpoging was mislukt, de gedachten waren gebleven. Of haar label nou PTSS is, of suïcidaal, of borderline, of de volgende paar aandoeningen die ze de komende jaren toegeschoven zal krijgen in de hoop dat er iets verbetert, die vriend zit daar niet goed.
Wat ze ook nog zei: ze was bang om aandachtvrager genoemd te worden. Het is inderdaad geen aandacht vragen: op tv vertellen dat je niet borderline bent maar wel suïcidaal en ook nog iets anders, maar daar zijn ze nog niet achter, en je vriend probeert op tv zijn zorgen en betrokkenheid en pijn niet te laten zien, want het draait om haar en haar waanideeën.
Ik wil hem geen tips geven. Ik wil alleen maar aangeven dat deze belasting in een onevenwichtige relatie vreselijk ongezond is. Zij krijgt alle mogelijke hulp en moppert dat de hulp niet voldoet, hij is degene die hulp nodig heeft.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen