Regenboog, zegt mijn zoon als hij het kinderdagverblijf binnenkomt.
Hij loopt inmiddels zelf naar binnen. Ik hoef hem niet meer bij de leidsters op schoot te zetten of over te dragen. Hij gaat naar de leidster toe of hij gaat aan tafel zitten, en dan zwaait-ie.
Nu is zijn haar nat. We zagen de regenboog, en we konden de grote donkere wolk net niet voorblijven.
Wat zeg je? vraagt de leidster.
Regenboog, zegt hij, iets zachter.
Ik herhaal: We hebben de regenboog gezien.
Ja, zegt de leidster, het regent opeens weer keihard, nu kunnen we niet naar buiten.
Mijn zoon schudt zijn hoofd.
De dag ervoor had hij gevochten met een ander kindje. Ik praat er nog even over. De leidster zegt: Dat moet soms, voor jezelf opkomen.
Dat is zo.
Als hij gezwaaid heeft en ik naar beneden loop regent het nog steeds heel hard. Ik wacht even. Op de buienradar is bijna niks te zien. Het hele land is droog, alleen boven onze wijk een bui. En dus die regenboog, dat is een mooie bijkomstigheid.
Ik fiets direct door naar de supermarkt. Ik koop melk, brood, spaghetti en een pot geroosterde paprika’s. Als ik bij het fietsenrekje kom en de tas op het rekje van mijn fiets zet dept een mevrouw haar zadel met een zakdoekje.
Heb je die van mij ook gedaan? vraag ik.
Moet dat? is haar tegenvraag.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen