Eerst zag ik de verfilmping, op de Vlaamse zender, zonder onderbrekingen, met Leonardo DiCaprio en Kate Winslet in de hoofdrollen: Revolutionary road. Mooie film over een schrijnende scheve relatie. Veel ruzie, veel zwijgen, wat mijn dochter van 12 moeilijk vond. Toen zocht ik in mijn boekenkast naar het boek. Dat had ik er ooit in staan, maar ik kon het niet meer vinden, dus bestelde ik een nieuw exemplaar (vertaald door Marijke Emeis), en afgelopen weken las ik de roman.
Her en der zei ik er al iets over, en de reacties waren allemaal zeer positief: geweldig boek, zo mooi, heerlijk.
Dat klopt allemaal, en steeds had ik het gevoel dat ik dit boek eerder had moeten lezen.
Andere reactie: Heb je dit nog niet gelezen?
Sommige boeken heb je dus simpelweg nog niet gelezen. Ik heb alleen dit jaar al zeker tien boeken gelezen die niemand kent en die minstens zo goed zijn, maar ik begrijp dat lezen geen wedstrijd is. het is wachten op het juiste moment.
Waarom kon ik Revolutionary road twintig jaar geleden niet lezen? Ik denk dat ik het te veel vond, te vol, te slim uitgelegd, te duidend. Nu denk ik er heel anders over en ben ik erg onder de indruk van de verhalende stijl van Yates die toch in iedere alinea de psychologie in duikt. Heel genuanceerd, heel precies, heel beeldend, want meestal duidt Yates niet in theorie maar in handeling gekoppeld aan gevoel.
Zoals in de volgende zin: ‘Hij maakte met zijn vrije hand zijn boord los, zowel om zijn hals af te koelen als geruststelling te ontlenen aan het volwassen gedistingeerde gevoel van een zijden das en een chic overhemd.’
De handeling is eenvoudig: boord los maken. In mijn favoriete proza, Amerikaans proza van buiten de steden, zou de zin hier opgehouden zijn. Yates voegt er nog wat aan toe, en dat is goed te volgen, hoewel het ver van mijn spreektaal af staat. Het gaat om de geruststelling. Dat brengt alles samen. Dat maakt de psychologie van een jasje en een dasje opeens meer dan alleen dat kakpak. Het geeft aan dat de man in dat pak onzeker is, en die kleding nodig heeft voor zijn vertrouwen. Het is duiden, en toch nog ruimte laten. Dat is bijzonder. Woordje als ‘het volwassen gedistingeerde gevoel’ zal ik niet gauw in een verhaal of roman opnemen, hier zijn die woordjes slechts een aanzetje tot net even wat meer, en die meerwaarde brengt Yates in bijna iedere alinea.
Yates beschrijft hoofdpersoon Frank en zijn mannelijkheid, als hij in de tuin stukken rots aan het uithakken is:
‘En als hij bij de ernst van deze gedachte zijn ogen neersloeg kon hij behagen scheppen in de aanblik van zijn eigen gebogen mannendijbeen, dat zich mager spande onder de oude olijfgroene soldatenbroek, en in zijn mannenonderarm die daar hing – die haalde het misschien niet bij de hand van zijn vader maar was toch nuttig en lang niet slecht – zodat zijn slapen nu pijn deden van geestdrift en triomf toen hij een stuk rots uit de zuiging van een holte vol witte wormen tilde en dat over de bevende bladaarde om en om naar beneden liet rollen, want hij was een man.’
Ook hier een heleboel uitleg en details, maar de basis is dat je de handeling net nog voor je ziet, en tegelijk is het getob van deze man volkomen helder. Hij worstelt met de stenen, met zijn vader, diens handen, met zijn eigen fysiek, zelfs met de aarde. Als ik zelf stenen uitgraaf of hout sta te zagen of ander fysiek werk doe – dat gebeurt soms – dan voel ik gelukkig nooit deze piekerige onstopbare gedachten. Als ik Yates lees weet ik: dat is mijn kracht. Er zijn blijkbaar een heleboel mannen in de middenklasse, met huizen en gezinnen, die zich bijzonder moeizaam verhouden tot zo ongeveer alles, en deze schrijver weet dat te vangen in sterk proza.
Dus wat ik ook steeds voel als ik Revolutionary road lees: medelijden. Met de personages en hun machteloosheid en verwrongenheid, maar ook met de schrijver die aan een eenvoudige handeling niet genoeg heeft. Yates kent geen personage dat gaat vissen. Hij zal de visser aan de waterkant laten twijfelen, tobben, nadenken, zwoegen. En dat terwijl vissen nou bij uitstek een moment is waarop mensen tot rust kunnen komen. Die rusteloosheid was het misschien wel die me ruim twintig jaar geleden dit boek weg deed leggen, en die me daar nu aan doet terugdenken. Ik kan deze roman nu goed lezen, ik vind het nog steeds proza dat pijnlijk veel biedt.
Proza dat zo precies en duidend is, dat ik er moe van wordt – is dat een kracht of een gebrek? Het antwoord is al gegeven: het is een gebrek van de lezer, want Yates pakt je met Revolutionary road helemaal in en imponeert op een dusdanig gemakkelijke manier dat het bijzonder is. Het is zoals Roger Federer een onmogelijke bal slaat: waar andere tennissers hijgend en zwetend net die bal zullen raken, ziet dat er bij Federer moeiteloos uit.
frank en zijn vrouw zijn actuele personages. Als ze ruzie hebben sluit April een lange monoloog af met: ‘Val me niet in de rede.’
Dat zie je in onze tijd ook vaak in discussies gebeuren, vooral op tv: voordat de ander ook maar iets heeft gezegd, of zelfs maar overwogen heeft om iets te gaan zeggen, zegt de eerste al: ‘Laat me uitpraten.’
Dat soort types zijn Frank en April. Ze houden vast aan een betoog, ze trekken redenaties door en denken vooral aan zichzelf. Yates zet ze keihard neer. Alle details, alle kleine woordjes en speldenprikjes die een personage kan zenden weet hij te vangen. De kleinburgerlijke gedachten, het gemopper, de zelfoverschatting, het medelijden, het dromen en de machteloosheid, alles komt samen in een geweldige mix die samen het huwelijk van Frank en April vormen.
Yates houdt van zijn personages, maar hij haat ze net zo veel.
Als het net weer even goed lijkt te gaan tussen die twee, als ze plannen maken om naar Parijs te verkassen, beschrijft Yates de kinderen van Frank en April, in een paar prachtige levendige ritmische zinnen:
‘Er was één troost: ze konden gaan slapen zonder bang te zijn over een uur te worden gewekt door de abrupte, bonkende, hijgende, met deuren slaande geluiden van een ruzie; dat was kennelijk allemaal verleden tijd. Ze konden nu liggen soezen bij het geluid van vriendelijke stemmen in de woonkamer, een geluid waarvan het ingewikkeld ritmisch stijgen en dalen langzaam de vorm van hun dromen zou worden. En als ze later wakker werden en zich omdraaiden om met hun tenen een nieuw koel plekje tussen de lakens te zoeken wisten ze dat het geluid er nog zou zijn – één stem diep en zwaar en de ander zacht en bekoorlijk, die praatten en praatten, even werkelijk en geruststellend als een blauwe bergketen die je van verre ziet liggen.’
Dat is natuurlijk echt genieten: een alinea die aangeeft dat het huwelijk weer op orde lijkt te zijn, er weer plannen en dromen zijn, hoe onrealistisch ook, en waarin het zoeken van een koel plekje onder de lakens door een paar kindertenen verbonden wordt aan het schitterende decor van een blauw bergketen in de verte.
Hoe ver weg en groot, hoe dichtbij en klein dit proza ook is, in alles trekt het de lezer naar zich toe, en dat is een uitzonderlijke kracht die in feite iedere schrijver zoekt.
Redacteuren van literaire tijdschriften zullen in een passage uit Revolutionary road misschien niet vinden wat ze zoeken. Buurman Shep Campbell kreeg in de fabriek de reputatie een snob te zijn en hij maakte zijn eenvoudige vrouw bang ‘want hij was een slechtgehumeurde luisteraar van klassieke muziek en een chagrijnige lezer van literaire kwartaaltijdschriften geworden.’
Daar moest ik hardop om lachen.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen