Het gebeurde wel vaker dat je als brugklasser op weg terug naar huis vervelende jongens tegenkwam, maar meestal waren die wel te negeren. Deze niet.
Het waren er twee. Ze waren een kop groter dan wij, en ondanks dat wij met z’n vieren waren bleven ze ons sarren en klieren. Een jongen werd bijna van de fiets geduwd. Ze spuugden, ze trapten tegen de schooltassen die op de bagagedragers zaten. Ze scholden.
Een van hen heette Sjaak, dat hoorde ik de ander zeggen.
Tegenwoordig heet dat pesten. Tegenwoordig zijn er protocollen voor, wordt er allerlei beleid voor gemaakt. In die tijd, in Brabant, had je een groepje LTS-ers die zich zo gedroegen. Er was niks aan te doen, er gebeurde niks aan. Het was een zekerheid zoals de brug over de Merwede een zekerheidje was. Niemand ging bij school klagen, niemand probeerde de ouders op te sporen. Het hoorde erbij, en in feite voelde het voor niemand als pesten. Het was een regenbuitje dat net even op de verkeerde plaats en tijd overkwam. Je kreeg een nat pak.
We wisten niet goed of we hard door moesten fietsen of juist stoppen. Niks leek goed.
Ze bleven maar aan de gang. Sjaak had een fles goedkope wijn. Daar dronk hij uit. Hij gaf hem aan die ander, en weer terug. Alcohol drinken was voor de jeugd in die tijd en in die contreien heel normaal, op de fiets was het nieuw.
Ik weet niet meer hoe het ontstond, maar op een gegeven moment fietsten we verder, redelijk tempo, en die twee kwamen achter ons aan en Sjaak gooide de fles wijn vlak voor mijn fiets kapot op het asfalt. ik kon niet meer uitwijken. Ik voelde de stukken glas knarsen onder mijn banden. Ik hoorde mijn voorband leeglopen.
Dat was misschien wel het ergste. Dat ik een lekke band had.
Ik kon wel achterop gaan zitten bij een van de anderen en de fiets in mijn hand houden en zo thuis komen, dat gebeurde wel vaker, maar nooit door toedoen van iemand anders.
Die band moest geplakt, de volgende dag moest ik die fiets weer kunnen gebruiken. Het was erger dan een nat pak.
Ik onthield goed het gezicht van Sjaak, die lege blik in zijn ogen, het gemillimeterde haar, zijn brede lompe lijf, zijn groene jas. Achterop de fiets dacht ik de hele tijd aan die ogen, dat haar, dat lijf in die jas. Het duurde vier jaar voor ik hem weer zag, dezelfde ogen, iets langer haar, vet lijf en zonder jas want het was in de jeugdsoos in het dorp.
Ik had zijn gezicht en lijf en jas onthouden om wraak te kunnen nemen, maar die avond in de soos was niks anders dan die middag jaren daarvoor op het fietspad, alleen dronk hij nu bier. Er was niks te doen. Ik kon me allerlei dingen in mijn hoofd halen over het slopen van zijn auto, het lekprikken van zijn banden, maar ik zag hem lang en lomp tegen een tafel aan staan en zag aan de manier waarop hij met de anderen van zijn groepje omging dat hij niks veranderd was – en dit waren zijn vrienden.
Hij stootte anderen aan net als ze een slok namen, goot bier naast iemands glas, schreeuwde tegen meisjes en tegen het personeel als hij bestelde, en was alleen iets vriendelijker als er een portier in de buurt kwam.
Ik vroeg de jongens van de bar of ze hem kenden, die lange, Sjaak.
Die kenden ze wel. Hij kwam uit Sleeuwijk, zeiden ze.
Is dat er eentje van Van Rooijen? vroeg ik. Ik noemde lukraak een achternaam uit de streek.
Nee, zei de barjongen. Van De …, en hij noemde zijn achternaam.
De grootste wraak is niet wat je iemand aan kunt doen om de stand gelijk te trekken, maar wat degene zichzelf aandoet, omdat hij nu eenmaal zo is.
Een Sjaak de … uit Sleeuwijk die inmiddels omme nabij de 54 moet zijn. Social media zijn handig om contacten te onderhouden, ze zijn ook handig om mensen op te sporen. Google is een nog betere bron.
Mijn Sjaak hoefde natuurlijk niet meer in Sleeuwijk te wonen, dat bleek al snel. Sjaak woont inmiddels in een huisje aan de Prinsessenbuurt in Dalem, dat ligt tegen Gorinchem aan, een buurt waar de straten onder andere vernoemd zijn naar Irene, Margriet en Marijke. Op streetview ging ik door de straat; een normale straat, met normale rijtjeshuizen, voortuintjes met bielzen en plantjes, soms helemaal betegeld, soms met een caravan voor de deur.
In een van die straatjes staat een huis waar onkruid tussen de tegels groeit, waar de vitrage vergeeld is, waar de dakgoot scheef hangt, en daar woont Sjaak. Nu zegt een beetje onkruid, ouwe vitrage en een scheve goot natuurlijk niet zo veel, behalve dat het een treurige leefomgeving is, wel zag ik dat het grote raam van Sjaaks woonkamer in de linker benedenhoek gebroken is. er zit een flinke barst in. Iemand (Sjaak zelf?) heeft er tape overheen geplakt. Aan de kleur van de tape te zien is dit raam niet gisteren gebroken, aan de kleur te zien is het vandaag nog steeds gebroken.
De kapotte fles wijn van Sjaak vertaalde zich ruim 36 jaar later in een kapot raam in zijn zielige huisje, dat lange tijd geleden provisorisch opgelapt was. Het maakt niks goed, het is geen wraak, maar het is nu wel een rond verhaal.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen