De man in de fabriek die iedere dag grappen maakte riep opeens om hulp, heel hard. Het was vlak voor koffietijd, en niemand geloofde hem. Hij riep, maar iedereen op de werkvloer van de zagerij ging koffie drinken. Hij bleef om hulp roepen. De andere mannen dronken hun koffie op en vonden hem na ruim een half uur met zijn been in een zaagmachine. Daar was weinig meer aan te doen.
Gaat dat verhaal om die grappen, om het bloed, of om de onderlinge verhoudingen?
In het dorp was het verhaal bekend. De man loopt nu met krukken door het dorp. Mensen zeggen hem gedag alsof er niks met hem is. Aan de ene kant kon de man er niks aan doen, aan de andere kant had hij ook een harde les te leren.
Gaat het om vertrouwen?
De grappen van die man waren wel echt geestig, dat moet gezegd. Er werd flink om gelachen en het kwam de sfeer in het bedrijf ten goede. Het zorgde er wel voor dat niemand hem meer geloofde.
In hoeverre kan humor anderen iets aandoen, in hoeverre gaat uiteindelijk humor jezelf iets aandoen?
Bij een grap moeten direct de verhoudingen duidelijk zijn: iedereen moet weten dat het een grap is. Daar ging het bij deze man vaak mis.
Ik denk veel na over het verhaal, en over dat been. Het werkelijke slachtoffer.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen