Het bezoeken van een ver en onbekend land is vooral om je heen kijken. Door de stad wandelen, naar de gevels kijken, een park door, een uitzichtpunt, het imponerende interieur van een kerk, de kroegen. Alles is er om bekeken te worden. De momenten van heerlijke rust om te kijken waren vanaf de achterbank van een taxi.
We reden van het vliegveld naar de stad en twee dagen later weer terug, over een brede snelweg. In het wegdek zaten hobbels die in Nederland tot een spoedafzetting zouden leiden. De schokdempers van de auto’s hier hebben veel te voorduren. De taxi slingert, hij wil om de kuilen heen.
Langs de snelweg waren bushaltes. Er waren winkels en terrasjes. De vangrail werd onderbroken voor een zijstraat waar je af kon slaan. Geen op- of afrit, gewoon rechtsaf slaan en bij een barretje een kopje koffie halen. Het kan gewoon hier.
Er fietsen mensen over de vluchtstrook. Mannen op mountainbikes. Wel een helm op, dat is voor de veiligheid.
Een auto heeft een bumper die met stukken tape aan de carrosserie hangt. Een bus ademt zo’n dieseldamp uit dat wij de raampjes van de taxi dichtdraaien.
Het is geweldig om te zien dat een land ook anders georganiseerd kan worden dan Nederland. Het is geweldig om te zien hoe rijk en goed wij het hebben, maar het is soms ook pijnlijk om te zien hoe zeer bij ons verval wordt weggepoetst en het reguleren van veiligheid ook een keerzijde heeft: er kan bijna niks.
Het ziet er wel zielig uit, de vrouwtjes die in die typische Oostblok-jurken langs de kant van de weg achter twee bakken bloemen zitten, maar ze hebben wel de kans om een eigen handeltje op te zetten. Geen vergunning nodig.
Natuurlijk is het vreemd dat de mannen die ons op straat aanspreken met de vraag of we een taxi nodig en die wij negeren hebben direct doorschaken met de vervolgvraag: Maybe girls?
Kan allemaal in een adem geregeld worden. Negeren is hier op straat erg belangrijk.
Bij de bushalte langs de snelweg zitten twee vrouwen te wachten. Een wieldop rolt hun richting uit. Verderop moet de snelweg van zeven banen naar twee. Een brug, een versmalling. Halverwege de brug staat een auto schuin tegen de vangrail. De motorkap stond open. Kapot. De mannen van die auto leunden tegen de vangrail. Invoegen is duwen. Geen lijnen die de rijbanen aangeven, alleen een trechter van asfalt, en veel kuilen.
De brug over, langs woontorens, koffietentjes, bloemenkraampjes en een bezinepomp. Allemaal door elkaar.
Verderop fiets weer iemand.

«

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen