Vorige maand schreef ik een stukje over het vertellen van een dialoog in de ik-vorm. Ik haalde een passage aan uit Kokoro: de wegen van het hart, van Soseki Natsume (vertaald door Luk van Haute). Een heel mooi en goed verteld boek van ruim honderd jaar oud. Een jonge verteller leert een oudere man kennen die hij Sensei noemt, dat betekent zoiets als leraar. Er ontstaat een vriendschap. De Sensei is getrouwd met een vrouw en draagt een geheim met zich mee: hij bezoekt regelmatig het graf van een overleden man, een vriend van hem. Voldoende stof voor een roman.

In zo’n opzet, waarbij twee mensen elkaar leren kennen, speelt altijd de vraag: waarom zoeken ze elkaar steeds op? De verteller is gefascineerd door de Sensei, dat is wel duidelijk, en de Sensei op zijn beurt laat de jongen toe. Toch had net zo goed iemand anders de vriend kunnen worden, zo lijkt het. In de eerste scène reist de jongen met een andere vriend af naar een kustplaats, en die vriend moet naar zijn zieke moeder, ook al heeft hij daar geen zin is. Ruimte dus voor de jongen om naar iemand anders om te kijken als hij in de kustplaats achterblijft, maar wel een soort toevalligheid. Dat gevoel drukt op het boek: de personages moeten elkaar vinden voor het verhaal, niet omdat ze elkaar werkelijk moeten vinden.

Als de jonge verteller bij Sensei op het huis moet passen als die er zelf niet is, er is een inbreker actief, en hij dus alleen met de echtgenote van Sensei is volgt een interessante beschouwing over de man-vrouw verhoudingen in het Japan van begin 20e eeuw. ‘Ik vergat dat ze een vrouw was,’ zegt de jongen over de vrouw van de Sensei. Hij kan met haar praten. Dat is even vreemd als bijzonder. ‘Ik dacht bij haar ook bijna nooit aan het intellectuele onevenwicht dat normaal tussen mannen en vrouwen bestaat.’ Kortom: vrouwen tellen niet mee, en als een man dus voelt dat een vrouw wel meetelt is dat uitzonderlijk.

Van Haute verklaart in zijn nawoord dat dit seksistisch en onvriendelijk kan overkomen, zeker in onze tijd, maar dat de verhoudingen honderd jaar terug in Japan nu eenmaal zo waren. Mannen gingen leren, vrouwen moesten ‘goede echtgenotes en wijze moeders’ worden. Mannen gingen alleen om met vrouwen als ze ermee getrouwd waren of als ze ervoor moesten betalen, stelt van Haute. Vandaar de opvallende toon van de jongen als beide opties niet gelden, en de vrouw van de Sensei zowaar een gesprek met hem heeft – een intelligent gesprek bovendien.

Dat is meteen wat de roman bijzonder maakt: de rol van deze vrouw, naast de Sensei, die zijn hele leven met de overleden vriend bezig is. Na een pagina of dertig voel je meteen de homo-erotische ondertoon, die natuurlijk nergens staat, maar die wel spannend indirect geschreven is. Die jongen moet de overleden vriend vervangen. De vrouw van de Sensei is ondertussen veel interessanter en belangrijker dan iedereen denkt. Die verschuivende verhoudingen vormen een prachtige roman, die in Japan nog steeds een veelgelezen klassieker is.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen