Het was een ingewikkeld plan. Mijn dochter had turntraining op een andere locatie. Niet in de buurt. De routeplanner meldde dat het vanaf ons huis een uur fietsen is. En ze weet de weg niet. Ze kan wel vanaf haar school, die ongeveer halverwege ligt door naar die training, dat scheelt veel fietsen. Maar dan de route.
Als ik tegen haar zeg: ‘Je moet de Stadhouderskade uitfietsen, de Amstel over, die hele kronkelkade uit, de Zeeburgerdijk af en dan bij het Flevopark en het Flevoparkbad twee bruggen over, en dan dat wijkje in, links en rechts,’ dan vraagt ze: ‘Huh? Stadhouderskade?’
Amsterdamse kinderen weten nooit de weg. Ze kennen de straatnamen niet, ze weten de wijken niet. Ze kunnen wel fietsen. Dus ik besloot om die dag haar de weg te wijzen, met mijn jongste zoon erbij want die was bij me de hele dag.
Het was tegen etenstijd, dus ik had eten mee, en drinken en luiers voor die jongen, je weet maar nooit, en ontbijtkoek, een flesje water. Het was een hele onderneming.
Wat we ook ontdekt hadden: dat uur terugfietsen zou makkelijker zijn als ze een stuk met de metro zou doen. Dus ik liet haar de metrohalte zien bij Weesperplein. De lift, de roltrap, de perrons, en welke lijn ze moest hebben. Ook kochten we al een kaartje voor de fiets, om die mee te nemen in de metro. Dat kost 1,80 euro.
‘Een kaartje?’ vroeg ze.
‘Ja,’ zei ik.
‘Maar mijn vriendin gaat ook iedere dag met de fiets in de metro en die koopt nooit een kaartje.’
‘Dat moet zij weten,’ zei ik. ‘Als er controle is kan zij wel doen alsof ze van niks weet, maar jij kunt dat niet zo goed met dat gezichtje van je. Jij kunt niet liegen.’
‘Liegen?’
‘Als je geen kaartje koopt moet je goed kunnen liegen.’
Dus we haalden een kaartje. Mijn jongste zoon vindt de metro geweldig. Hij wilde ook met de metro, maar we fietsten naar de turnhal die op een nieuw eiland bij de stad ligt. Echt ongelofelijk dat je een uur door deze stad kunt fietsen, en dan is er aan beide kanten nog een stuk daarachter komt, nog meer eilanden en bij ons is de wijk ook nog lang niet op z’n eind.
We aten wat in de turnhal. Ik had pasta gemaakt, in bakjes.
Toen ging ze trainen. Na de training moest ze zelf terug. Dat zou wel lukken.
Ik fietste terug, een uur de stad door, eigenlijk vijftig minuten want ik trapte lekker door. Eigenlijk reed ik het sneller, want de brug over de Kostverlorenkade stond open. Daar keken mijn zoontje en ik naar een hele grote boot.
Mijn dochter belde tegen een uur of negen op. Ze zat in Kraaiennest. Dat is in de Bijlmer. Ze moest huilen. Er was een vrouw bij haar die haar hielp.
Ik zei: ‘Je hebt de metro naar Gein gepakt, of die andere naar de Bijlmer.’
‘Ja,’ zei ze.
‘Nou, dan moet je terug, via Duivendrecht. Of Van der Madeweg.’
Dat ging ze doen. Ik zei nog een paar keer dat ze rustig moest blijven, niet huilen, goed opletten.
‘Ja papa, maar jij zegt dan altijd dat ik je moet bellen als er iets is.’
‘Dat is heel goed.’
Ze kwam thuis, bijna twee uur na het einde van haar training. Dat laatste halfuur maakte ik me zorgen. Ik belde haar, maar ze nam niet op. Waarschijnlijk stond haar geluid uit. Ik keek op een site van het openbaar vervoer waar je live alle metro’s kunt bekijken. Alles reed. Ik ging de straat op, op de uitkijk. Precies op dat moment kwam ze aankarren.
Toen was ze thuis, alles was goed. Ga lekker slapen.
De volgende ochtend ging ze weer naar school, mijn meisje heeft het druk. Ik zei dat ze maar goed haar best moest doen met leren op dat gymnasium, want anders moest ze later misschien bij het GVB gaan werken en daar wordt niemand beter van.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen