Echt goed vermaakt heb ik me met het laatste boek dat ik dit jaar las: Dertien, van Steve Cavanagh. Deze Ier hanteert in zijn vierde advocatenthriller twee perspectieven: een derde persoon over de dader en een ik-verteller is hoofdpersoon advocaat Eddie Flynn. Die afwisseling kan moeilijk en ingewikkeld zijn, maar het is puur noodzakelijk.

De ik-verteller is door Cavanagh in drie eerdere boeken gebruikt en deze vlotte sympathieke en ergens ook aandoenlijke advocaat wil hij natuurlijk als verteller vasthouden. Zijn lezers kijken kortgezegd uit naar Eddie Flynn als verteller. Echter, de scènes over de dader (Kane) kan hij niet vertellen, daar was hij in het begin simpelweg niet bij. Hoe kon Cavanagh beide verhalen laten zien?

Voor twee ik-vertellers koos hij niet, de reden zal zijn dat de hoofdstukjes te veel op elkaar kunnen gaan lijken en verder is er het gevaar dat de lezer dan evengoed met de dader meeleeft als met de advocaat. Dat is niet de bedoeling. Eddie is de held, een geweldig nurks personage, voorheen oplichter. De lezer moet dichterbij hem staan.

Dus vertelt Cavanagh over de dader, de vreemde en erg slimme Kane, in de derde persoon, meer op afstand. Het perspectief stuurt bij wie de lezer het dichtst staat, en dat is in feite het enige wat een vertelling moet doen. Klopt dat, dan klopt alles.

Verder hebben de scènes een puur logische chronologie. Oorzaak-gevolg kloppen ook steeds. De eerste zaak waarin Eddie een agent erbij lapt die een hoertje een gevangenisstraf wil aansmeren, heeft gevolgen, want als hij twijfelt om aan een grote spraakmakende zaak mee te gaan werken, trekt een eenvoudige wraakactie vanuit de eerdere politiezaak hem over de streep. De lezer weet: iedere stap die we gaan zien, wordt gevolgd door een volgende stap. Dat leest heerlijk.

Nu is deze Kane een uitgesproken vreemd personage: bloeddorstig, hij geniet van moorden, als hij iets wil zorgt hij dat hij het krijgt, desnoods met geweld. Een echt thriller-personage, hele bibliotheken zitten er vol mee, maar om van zo’n snuiter een menselijk personage te maken, dat valt nog niet mee.

Cavanagh weet zowel Kane als Eddie Flynn voldoende eigenschappen mee te geven om ze allebei als mensen tegen elkaar te laten strijden. Ze hebben kracht, onzekerheid, slimheid, ze maken allebei keuzes, ze worstelen allebei met persoonlijke problemen.

De opzet van de thriller is verder vooral erg slim, het staat in koeienletters op het omslag: ‘De moordenaar is geen verdachte, hij zit in de jury.’ Dat is een constructie die ingewikkeld is en mij onbekend. Hoe heeft die Kane dat voor elkaar gekregen? Die vraag, en het zoeken naar antwoorden op die vraag, maken hem een geweldig tweede hoofdpersonage.

In het kort: een heerlijk lockdown-boek. Leest goed, is spannend, laat je zoeken, lost beloftes in. De nieuwste thriller van Cavanagh heet Fiftyfifty, de titel is onvertaald omdat we allemaal die Engelse term wel kennen, heeft ook een slim vertrekpunt: twee zussen doen vrijwel tegelijk melding van de moord op hun pa. Ze beschuldigen elkaar, dus een van hen liegt.

Toen ik op bladzijde veertig van Dertien was heb ik die nieuwe Cavanagh besteld.

Jan van Mersbergen