In een boek las ik een mooie passage over een rivier, over het water dat al eeuwen stroomt en waar je als mens naar kunt kijken met de zekerheid dat het water ook nog zal stromen als jij er niet meer bent. Over dat boek later meer, met die passage ik in gedachten ging ik terug naar mijn Brabantse polder, en ik liep over een dijkje en keek naar de kanalen en op een gegeven moment was ik bij de rivier die door mijn oude dorpje loopt, minder breed dan een Amsterdamse gracht, maar wel een rivier, en dat stromen was amper zichtbaar. Het was eerder de wind die golfjes over het donkere water blies.

In de roman waarin de rivier voorkomt werd gesteld dat de rivier de mensen kon leren dat alles met elkaar verbonden is, maar wat vertelt een rivier je die nergens mee verbonden is? Die daar maar ligt, en de grote rivieren die iedereen kent niet kan bereiken en die geen oorsprong meer heeft? Dat geeft wel rust, maar tegelijk geen richting. In de roman wordt verteld over de regen met de rivier wordt afgevoerd om als wolken van zee weer terug te komen. In mijn polder kan regenwater net zo goed in de wolken blijven zitten, maar dat leek de regen niet te begrijpen.

De bron van de rivier was niet ver, maar die is verzand in nieuwbouw en ruilverkaveling en het afdammen en omleggen van deze stroom, en dan aan de andere kant, waar de rivier in de Maas zou moeten uitmonden, daar stopt-ie opeens. Een riviertje dat in de Romeinse tijd al door dat land kronkelde, vanaf de Waal. Een riviertje dat in de vijftiende eeuw met de Sint-Elizabethsvloed (1424) te maken had waardoor het deel aan de westkant van de A27 verdween. Een riviertje dat dan weer smal, dan weer breed, waar in mijn tijd heel soms een kano doorheen peddelde, maar verder alleen voor de vissen was.

Het is vreemd om op te groeien aan een rivier die stil lijkt te staan. Daarom ben ik zo blij als ik ergens een stromend riviertje tegenkom, hoe klein ook, een beekje of een stroompje. Met keien waar het water omheen loopt. In een polder waar het land even vlak is als het water valt nooit op waar het water heen stroomt. Het ligt massief tussen de oevers, zoals de klei plat en zwaar tussen het water ligt. Daar opgroeien betekent dat er geen stroom is die je kunt volgen, ook niet symbolisch. Je moet zelf gaan stromen.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen