In de kroeg hadden we het over een onverbeterlijke oplichter die voor de zoveelste keer in de problemen was gekomen, ontslagen na een mislukte oplichtingstruc op zijn werk. Iedereen kende de betrokkene. Dat maakte het verhaal anders, maar daar ging het niet over. Het verhaal ging over hoe je omgaat met mensen, met vrienden, ook met oplichters.

Ik sprak een jaar of tien terug nog wel eens met hem af. Koffie drinken, beetje kletsen. Tot hij een keer niet op kwam dagen. Diezelfde middag belde hij op met de vraag of we dan de volgende dag weer af konden spreken. Echt niet, zei ik. Eén keer in de stad ergens gaan zitten wachten is genoeg. Dus ik zag hem bijna nooit meer. Dat is geen probleem, dat deed hij zelf. Bij dit soort vriendschappen is het gemakkelijk snijden.

Over de oplichtingstruc was iedereen in het café uitgesproken: kan echt niet, vreselijk, niet normaal, hoe durf je. En nu is het wachten op het volgende incident, want de patronen herhalen zich. Een ander aan tafel zei dat hij nog altijd een vriend van deze oplichter was, ondanks dat hij hem geld had geleend wat hij nooit meer terug zal zien. Hij zei: Ik heb het Stockholm-syndroom met deze vriend. Hij heeft geld van me geleend, en toch blijft hij mijn vriend.

Dat vond ik mooi. Ik was de enige die niet zei: Wat raar. Ik kon zijn standpunt begrijpen, niet omdat het over geld ging maar over vriendschap. Geld speelt bij echte vriendschap geen rol. Vriendschap gaat om delen. Als je niet van een vriend wilt delen, zoals ik laatst op tv in een serie iemand hoorde zeggen, dan wil je dus eigenlijk geen vrienden zijn. Een vriend van me heeft geld van me geleend, en wat er daarmee ook gebeurt, ik heb meer vertrouwen in die vriendschap dan in dat geld.

Ik zei er niet zo veel over, die avond in de kroeg. De vriendschappen daar aan tafel zijn vriendschappen voor dat moment, op die plek. Allemaal mensen waar ik het heel goed mee kan vinden, en het zijn vrienden, maar ze komen amper bij mij thuis, weten de namen van mijn kinderen niet, en als er iets persoonlijks gebeurt hoor ik dat via via of pas laat – niet direct en als eerste. Voor de kroeg maakt het niet uit.

Dat Stockholm-syndroom vind ik een trefzekere typering van vriendschap. Wat er ook gebeurt, dat is de kern. Een gijzeling lijkt in eerste instantie op een verschil in rollen: gijzelaar en gijzelnemer, maar dit syndroom, waarbij een relatie ontstaat die eerder op vriendschap of liefde lijkt dan op die rollen, is in ieder geval menselijk en kan ook zonder gijzeling optreden.

Iemand anders voegde er nog aan toe: Het Stockholm-syndroom, daar had ABBA ook last van.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen