Er was een groot literair festival georganiseerd. Ik ging er voorlezen, samen met een heleboel andere schrijvers. Zo’n beetje iedere schrijver die ik ken zou er zijn dat weekend. De reden: er werd goed betaald. Op de website van het festival stond een lijst van zeker 300 auteurs die kwamen voorlezen, en ik weet niet of ze allemaal evenveel betaald kregen als ik, maar ga er maar vanuit dat er bijna anderhalve ton naar de deelnemende schrijvers is gegaan. Nu zijn verhalen over subsidiegeld vreselijk, het zijn beschikbare budgetten die benut moeten worden. Dus dit verhaal gaat niet over geld, wel over de manier waarop het geld terug bij het publiek komt, want volgens mij is dat de bedoeling. Middelen inzetten voor de culturele bedrijfstak voor de mensen, omdat het anders niet haalbaar is.

Het was een groot professioneel festival. Het leek op papier een enorm festival, want er stonden erg veel schrijvers op de poster. Het bleek echter een superklein festival, want er was amper publiek. Het gebouw had twee zalen en buiten was er een podium onder een zeiltje. In iedere zaal zaten ongeveer vijf toeschouwers te kijken, vrijwel allemaal andere schrijvers die net voorgelezen hadden of nog moesten voorlezen. Op foto’s (Instagram) van andere voordrachten, op andere momenten, waren soms wel tien toeschouwers te zien. Wel liepen er tientallen podiummanagers, technici, publieksbegeleiders, artiestenbaliemedewerkers, muntjesuitdelers, koelkastvullers en koffieschenkers rond, allemaal in zwarte shirtjes, speciaal voor het festival gemaakt. Voor ik in de artiestenfoyer een kopje koffie dronk had ik al zeker tien mensen gesproken die me de weg wezen naar de ingang, bonnetjes en een artiestenbadge gaven, de trap op wezen, de koffie wezen, het zaaltje wezen – iedereen wees van alles aan. In de foyer sprak ik een paar collega’s. Daar kom ik voor bij zo’n festival, want toen ik uit Amsterdam vertrok wist ik al dat het een avondje geld verdienen zou zijn en kletsen met andere schrijvers.

Ik had twee teksten uitgezocht. Ongeveer 10 minuten. Nu was mijn optreden gepland om elf uur in de avond, en ik wilde wel graag terug met de laatste snelle trein, dus ik vroeg de andere twee schrijvers in mijn blok en de presentator of ik als eerste mocht, en dat was geen probleem. Met de productie had ik hierover gemaild, maar die mevrouw zei dat de volgorde aangehouden zou worden zoals vermeld in de briefing, in allemaal aparte mails, en er kon niet geschoven worden. Dat zou te veel chaos geven. Dus schoof ik op de avond zelf wel. Er was helemaal geen chaos. Ik las voor in een schitterende klassieke zaal, voor de twee andere schrijvers uit mijn blok, met in de zaal twee bevriende schrijvers, de vriendin van een van hen, de presentator en een man waarvan ik vermoedde dat hij publiek was. Ik las en liep naar de trein.

Nu zijn er altijd allerlei redenen dat er geen publiek is. Slecht weer, de concurrentie nu de horeca en de theaters weer opgestart zijn, een treinstoring, een hapering in de pr, schoolvakantie, voetbal op tv, maar in de kern is een literair festival waar honderden schrijvers in een programma worden gestopt, zonder achterliggend idee of zonder verband tussen de optredens en vooral zonder entourage eromheen, altijd een slecht idee. Het is gewoon geen avondje uit. Natuurlijk weet ik wel dat plat vermaak iets anders is dan een literaire avond. Daarom wordt een bowlingbaan niet gesubsidieerd en een kunstenfestival wel. Maar mensen willen een leuke avond hebben: aan de bar hangen in een kroeg, met vrienden naar een concert, een potje poolen, een theatervoorstelling met na afloop een borrel, dansen in een club of gewoon eten in een restaurant. Allemaal leuk. Volgens mij is het mogelijk de kracht van literatuur te verbinden met een leuke avond. Urenlang in een zaal zitten waar steeds een andere schrijver voor je neus staat voor te lezen, zoals bij dit festival, is niet leuk. Literatuur wordt een kerkdienst. Er was geen bar in de zaaltjes, er was geen muziek, zelfs de artiestenfoyer leek op een zaaltje van een crematorium. De schrijvers deden wat er van ze gevraagd werd, die zijn professioneel genoeg, en misschien was het ’s middags of de volgende dag wel druk, maar die avond was er geen publiek en de sfeer was bedroevend.

Misschien is het vervelend om een vergelijking te maken, maar dit soort festivals hebben in ieder geval bijgedragen aan het idee dat ten grondslag lag aan mijn eigen literaire avond. Ik wilde vooral een combinatie van kwaliteit van voordrachten én sfeer. Met gesloten beurzen, in beginsel geen subsidie. Op een plek waar een literair evenement welkom is maar die tegelijk zijn eigenheid niet verliest. Een openbare plek zonder kaartverkoop of reserveringen, met een bar in de ruimte waar voorgelezen wordt, een bar die de hele avond open is en barpersoneel dat begrijpt dat als er iemand aan de bar staat, dat degene dan dorst heeft. Ik wilde aandacht voor literaire teksten in een goeie open sfeer. Geen katheder om achter te gaan staan. Zo min mogelijk afstand tussen voorlezer, publiek en presentatie. Geen aparte artiestenfoyer maar publiek en schrijvers door elkaar. Direct muziek als er even niet voorgelezen wordt. Ik wilde geen voordrachten uit eigen werk, maar werk dat de betreffende schrijver zelf goed vindt – dat bepaalt de toon. En ik wilde dit opzetten met een collega (Gilles van der Loo) die literatuur, gezelligheid en horeca begrijpt – best een moeilijke combinatie. En vooral wilde ik publiek in de zin van: mensen die de deur uit gaan om een leuke avond te hebben en daar best een paar tientjes aan uit willen geven, bij voorkeur aan de bar.

Proza of poëzie in voordracht is geweldig en kan mensen raken, maar dan moeten alle voorwaarden optimaal zijn. Kwaliteit van de teksten, van de lezers, setting, barmensen, achtergrondgeluid, licht, alleen al een geur kan de literatuur verstoren. Bij het festival stond de halve avond de deur naar de gang open zodat die paar gedichten die ik hoorde overstemd werden door een gesprek op de gang, waarschijnlijk tussen andere schrijvers. En nu ik het er toch over heb, het rook er wat vreemd. Op de schilderijen in het gebouw stonden allemaal strenge mensen afgebeeld, gelovigen uit een kerkgemeenschap. In de artiestenfoyer was geen bieropener. Het podium in mijn zaaltje was te hoog, te ver weg, ik ging ervoor staan en toen ik voorlas was de microfoon niet nodig. Alles om de afstand te verkleinen. Hoe kan een festival tonnen aan subsidiegeld spenderen en geen aandacht hebben voor dit soort details? Hoe kan het dat Gilles en ik ons iedere keer druk maken of ons programma wel goed genoeg is, of het voorlezen wel goed uitpakt en of er überhaupt wel mensen zullen komen, terwijl bij dit festival leek helemaal niemand ermee te zitten dat de sfeer beroerd was en er geen kip op kwam dagen?

In de trein terug naar Amsterdam dacht ik aan het volgende festival, aan het vriendelijke algemeen opgestelde mailtje, aan de vraag: ‘Wilt u ook meedoen?’ Aan de zin: ‘We kijken uit naar uw komst.’ Ik dacht aan de moedeloze gezichten van de collega’s die avond in de artiestenfoyer, die avond. Een van hen zei: ‘Deze hele dag doe je geen fuck.’ Dat is zo, als je ’s avonds ergens moet voorlezen dan komt er van schrijven niks. En de volgende dag ook niet, want dan ben je moe, zeker als het zo’n soort festival betreft. Een geslaagde literaire avond moet zo veel energie en inspiratie geven dat een schrijver op de dag na het optreden vroeg opstaat en direct gaat schrijven.

Ik dacht: stop er maar mee. Alle goede bedoelingen ten spijt, al die inzet, organisatie, begeleiders, al die muntjes en pasjes, het heeft helemaal geen zin om op deze manier literaire activiteiten te organiseren, om een rol te spelen in het culturele landschap, om literatuur een podium te geven, om schrijvers te verbinden met het publiek – of hoe ze dit festival in de ambtelijke afhandeling met de subsidievertrekkers zullen noemen om een volgende editie veilig te stellen. Of is dit nu eenmaal de vorm die we gekozen hebben om proza en poëzie lege zaaltjes in te duwen? Literatuur cadeau doen aan de lucht?

Ik zette ook alvast een mailtje klaar: ‘Ik ben er graag weer bij.’ De kachel moet branden.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen