Op de boulevard zet Maarten de auto stil. Links van hen ligt de zee, groots en weid. Zijn vader knikt. De zee. Toch wel mooi, lijkt hij te willen zeggen.
Maarten weet hoe mooi de zee is. Hij voelt het zout in de lucht tegen zijn mond, zelfs nu hij nog in de auto zit. Hij duwt het portier open en daar is nu echt de zeelucht, de zachte wind die hier altijd is, de frisheid.
Kom, zegt hij.
Hij stapt uit, loopt om de auto heen en helpt zijn oude vader naar buiten. Daar staan ze, in het licht van de zon die door de wolken heen gebroken is, ook dat is de zee, een breekijzer voor de zon.
Laten we een stukje lopen, zegt Maarten en dat doen ze, over de boulevard. Het zand is zacht en rul hier, dat wil hij zijn vader niet aandoen, al zou hij het liefst een flink stuk langs de zee wandelen, gewoon een richting kiezen en je gedachten laten wegblazen.
Een paar passen, dan stopt zijn vader al. Ze kijken weer even naar het massieve grijze water. Zijn vader leunt tegen de balustrade, en Maarten weet: we komen nergens.
Laten we maar een koffietentje zoeken, zegt hij. Misschien wat te eten.
Het vooruitzicht van een stoel en koffie geeft zijn vader moed. Ze gaan de andere kant op, in de richting van de hoge hotels. Bij een van de gebouwen staat een bord voor de schuifdeur: mosselen.
Maarten weet al wat zijn vader zal zeggen: hier kunnen ze een pannetje mosselen eten, dan is de dag weer goed.
Ze gaan naar binnen. Rechts een balie en links een grote eetzaal waar in de ochtend een ontbijt is, zo te zien, en nu lunch. Er zitten vier mensen aan een tafel, verder zijn alle tafels onbezet. Ze kiezen een tafeltje aan het raam. Maarten schuift de vitrage opzij en daar is de zee weer. Ze schuiven aan. Een jongen van de bediening komt vragen wat ze willen drinken en Maarten bestelt twee biertjes en voor hen allebei een pannetje mosselen, met friet natuurlijk. Dat wordt geregeld.
Ze proosten. Maarten zit tegenover zijn vader en kijkt hem lang aan. Is dat zijn gezicht, zijn eigen gericht als hij straks in de zeventig is? Hoe hij zijn handen in zijn schoot houdt, hoe hij in elkaar gezakt zit? Gaat hij dat straks ook doen?
Dan kijkt zijn vader uit het raam. Hij ziet iets aan de lucht. Altijd met het weer bezig, deze man. Met veranderingen. De paradox van een vaste bezigheid: de verandering vastleggen is iets wat onveranderd moet blijven. Dwangmatig. Bepalend ook, voor het hele gezin. De regenmeter om vijf uur legen, iedere dag. Opschrijven in een multomap. Het weerbericht van het achtuur journaal, iedereen moest zijn mond houden.
Toen Maarten een tiener was vertelde hij nooit hoe het op school ging, behalve als het weerbericht kwam. Ik had een toets voor Engels, ziekte hij dan. Zijn moeder wilde wel reageren, want school is belangrijk. Voor zijn vader bestond er aan het einde van het journaal enkel het weer. De verwachting van de verwachting. De woede als hij even de voorspelling van de windrichting voor de volgende dag niet kon horen. De regenkans. De nachttemperatuur. Tegenwoordig kun je dat op internet ieder moment van de dag opzoeken, schuiven buien voorbij op de radar en klopt het allemaal. Destijds was het weerbericht onbetrouwbaar, maar heilig.
Daar zijn de mosselpannetjes al. Zijn vader haalt het dekseltje eraf en begint te eten. Hij knijpt de schelpen haast open, met zijn grove vingers. Maarten eet rustiger, bedeesd, en ook al is de smaak goed, vooral van de wijn onderin de pan, die bouillion, er is iets dat de smaak vervuilt. De wolken misschien, die weer terug zijn. De reactie van zijn vader op die wolken.
Dat was niet voorspeld, dat was niet voorspeld.
De wolken, de lucht, de dag, alles moet voorspelbaar zijn. Houvast zoeken in metingen, in een klein stapje vooruitkijken naar de toekomst: het weer van vanmiddag. De vooruitzichten voor morgen. De lange termijn…
Trekt wel weer weg, zegt Maarten. Bijna alsof hij zijn pa wil geruststellen.
Zijn vader knikt, maar niet overtuigend.
Maarten bestelt nog twee biertjes. Hij vraagt aan de jongen van de bediening waar iemand die moeilijk loopt goed het strand op kan, want hij wil toch zijn vader even de zee laten zien, de branding, het zand.
U kunt een strandrolstoel meekrijgen, zegt de jongen.
Dat is ook een verrassing, maar wel een hele mooie. De jongen legt uit dat ze bij het hotel naast fietsen ook strandrolstoelen verhuren waarmee ouderen gemakkelijk over het strand gereden kunnen worden. Dat maakt de wandeling gemakkelijker, prettiger.
Dat doen we, besluit Maarten direct.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen