De struisvogels zitten een beetje verstopt achterin de dierentuin. We kwamen er al vaak langs maar nog nooit stopten we bij het platgelopen stukje voor het hek. Nu wel.
Twee struisvogels stonden er in het hok. Een van hen had dorst. Hij dronk water uit een drinkbak die je vaak bij boerderijen zit, voor koeien. Een struisvogel is geen koe. Hun snavel blijkt heel onhandig om te drinken uit een drinkbak voor koeien. Hij moest iedere keer zijn snavel in het water steken en dan zijn kop omhooggooien en zo hopen wat water naar binnen te kunnen lepelen. Het meeste water ging naast zijn snavel. De andere struisvogel had jeuk aan zijn poot. Ook daarvoor was die snavel niet erg handig. De struisvogel schopte wat heen en weer met die jeukende poot en beet erin. Het hielp een beetje. Wat beter hielp was afleiding want toen ik mijn hand opstak spreidde de struisvogel direct zijn vleugels. Hij liet zich niet intimideren. Mijn zoontje was bang voor die reusachtige onhandige vogel.
Na de struisvogels gingen we bij de vissen kijken. Mijn zoontje wilde heel specifiek een krabbetje zien. Dat werd zoeken. In een grote anemoon met tentakels waar kleine witte handjes op zaten verschool een geel visje zich. Het was een Nemo-vis, zei hij zoontje, maar dan geel.
Ik keek lange tijd naar die bewegende handjes. Mijn zoontje zei: Het waait daar.
Mooi, dat het kan waaien onder water.
We vonden uiteindelijk een krabbetje in de winkel vooraan bij de uitgang.

«

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen