Taiwan was grijs. Het vliegveld was grijs, de weg naar het hotel was grijs, de gebouwen waren grijs, de zee was grijs en de lucht was grijs.

Nu waren we alleen in Taiwan om over te stappen op de volgende vlucht, en er kon geslapen worden in een hotelbed. Dat was mooi meegenomen, want in tegenstelling tot mijn ex kan ik in een vliegtuigstoel erg slecht slapen.

Op weg van het vliegveld naar het hotel keek ik uit het raampje van de taxi. Ik had ooit een film gezien die in Taiwan speelde. Ik had een studie afgerond waar film gezien werd als kunst. In die film had alles felle kleuren: kleding, muren, vloedkleden, hoopjes kruiden op de markt, zelfs de wangen van de Taiwanese mensen waren rood. Maar die dag, lang geleden alweer, was alles grijs.

Voor het hotel stonden twee bewakers. Ze hadden uniformen aan, petten op, in hun handen geweren. Ik was wel een beetje op de hoogte van China en het probleem met het erkennen van Taiwan, ik wist alleen niet zo gauw of dit Chinezen waren die dit hotel bewaakten, want er leken ook veel Chinezen naartoe te gaan, of Taiwanezen die ons in dat hotel zouden beschermen tegen China. En hoe kom je daar achter?

De bewaker zeiden niks. We gingen naar binnen, en zoals in ieder hotel kregen we een kamersleutel en konden we even slapen.

Ik viel niet in slaap. Ik wilde even douchen, ik wilde wat drinken, ik dacht de hele tijd aan die bewakers. In andere Aziatische landen had ik me altijd verbaasd over westerlingen die een veel te jonge bruid op kwamen halen, over westerlingen die met volle beurzen over straat sjokten, over het goedkope luxe leven dat je daar kunt leiden als je uit het westen komt, en vooral over de schijnbare acceptatie daarvan door de lokale bevolking. Iedereen profiteerde ervan. Dat was praktisch, maar deze bewakers gaven een ander signaal.

Toeristen en mensen die aan toeristen geld verdienen, dat systeem begrijp ik. Bewakers kunnen daar niet voor niets staan, ze kosten geld, en de bewakers zelf hebben er buiten dat ze zijn ingehuurd door een hotel, niks aan toeristen te bewaken, zelfs als ze maar een kort nachtje blijven en direct doorvliegen naar Nieuw Zeeland.

Die bewakers bleven me bezighouden, tot ik een wekker hoorde en we weer als de bliksem naar het vliegveld moesten. Met de lift ging ik naar beneden. Ik leverde de sleutel in en stapte naar buiten. De bewakers waren verdwenen. Dat stelde me gerust, en de rest van de reis verliep soepel. Ik sliep in het vliegtuig.

Jan van Mersbergen