Mijn fiets kreeg een nieuw achterwiel. Of eigenlijk: het wiel dat er in zat deugde niet meer en ik had nog een achterwiel liggen. Ik maakte me alleen druk om het verzet. Dat had te maken met het aantal tandjes.

Het wiel dat in de fiets zat had van die vervelende dunne velgen en een bruine band die al behoorlijk versleten was. Glad. Dat betekent: binnenkort een lekke band. Ook waren er een paar spaken gebroken, en die gingen schuren en piepen en kraken langs andere spaken. kapotte spaken betekent: een onevenredige druk op de velg, en na verloop van tijd komt er een slag in het wiel, zeker als er spaken los zitten die vlak bij elkaar in de velg steken.

Een laatste ding was de versnelling. In de stad heb je helemaal geen versnellingen nodig. Dit is mijn eerste fiets met versnellingen in Amsterdam. De reden: de kabels zijn kwetsbaar. Zet je een fiets in een rek, altijd veel te krap tussen andere fietsen, en je trekt zo die kabels uit hun fatsoen. Kapot gaan ze niet snel, maar het mechanisme is meestal een miniem palletje dat ergens in en uit wordt getrokken, door die kabel, en dat is vooral kwetsbaar. Met andere woorden: die zooi gaat altijd binnen de kortste keren kapot.

De versnelling van mijn fiets bleef in ieder geval vaak hangen in de tweede versnelling. Drie reed erg zwaar maar trapte nooit door, twee wilde nog wel eens terugschieten naar één, en andersom. Dus ik zat soms als een idioot aan dat draaiende handvat te morrelen om de versnelling weer goed te krijgen. Heel irritant.

Nu kon dat wiel er wel uit, en dat andere wiel, met die lekkere dikke velg en een zwarte band met goed profiel er in. De vraag was: welk verzet levert het op? Het oude wiel kon dus in drie standen. Hoe dat werkt weet niemand. Hoe kan dat kleine palletje een grotere weerstand en een ander verzet opleveren met hetzelfde aantal tandjes op de assen? Dat is het grootste mysterie van fietsen, en voor mij de reden om dat achterwiel en die complete versnelling van mijn fiets te slopen.

Het tandwiel aan de trapas zou hetzelfde blijven. Dat telde 38 tandjes. Dat is niet zo veel. De andere fietsen, van mijn zoon en dochter, zonder versnellingen, hadden een voorste tandwiel van 44 tandjes. Als je dan achter een klein tandwiel hebt, trap je met dat voorste grote tandwiel zwaarder omdat je per omwenteling een grotere afstand aflegt. Oké. Ik telde trouwens die tandjes door op één tandje een stukje grijze tape te plakken en van daaraf rond te gaan – anders weet je echt nooit meer waar je begonnen bent met tellen, en dus ook niet waar je moet stoppen.

Het oude wiel telde op de as 19 tandjes, het nieuwe 18. Het was spannend. Ik had het niet meer. Op internet vond ik een tabel waar alle combinaties van voor- en achtertandwielen op staan. Bij 38 – 19 leg je bij een omwenteling van bandenmaat 28 iets meer dan vier meter af. Bij 44 – 18 is dat al meer dan vijf meter. Nou, wat zou het worden? Hoe zou dat fietsen?

Ik draaide de boutjes op de as, de rem en de kettingkast los. Dat laatste leek een goed systeem te hebben, het was een kettingkast die weer in elkaar kon nadat het nieuwe wiel er in zat. Dus ik deed voorzichtig met de schroefjes en de beugel van die kettingkast. Het achterwiel was er vlot uit, de ketting van het tandwiel. Alleen de kettingspanners waren anders dan anders, en een beetje gaar, en de paar die ik nog had liggen pasten niet op de achterkant van dit frame. Met deze kettingspanners om het nieuwe wiel en het spatbord en de bagagedrager aan de as draaide ik alles weer in elkaar, spande de ketting en schroefde de rem weer vast.

Fietsen maar.

Het viel niet tegen. De fiets trapte minder zwaar dan oorspronkelijk in zijn tweede versnelling, maar toch redelijk in orde. Misschien zou het voor een langere afstand, naar de andere kant van de stad, wat te licht zijn, maar toch leek het prima. Een dag later ging ik naar de stad en was mijn fietsje zonder het kraken van een gemankeerd achterwiel een verademing.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen