Op mijn gemak volg ik het debat over schrijvende vrouwen en af en toe lever ik een subtiele en uitdagende bijdrage, maar nu wordt het toch tijd om tot de kern te komen. We dwalen af. De discussie en artikelen, statements en twitterberichten dienen geen doel meer buiten de discussie zelf.
In Amsterdam Noord was een avondje waarop de bundel van Wiegertje Postma centraal stond, allemaal betogen van vrouwen over schrijven, maar wat blijkt: die betogen gaan amper over schrijven. Ze gaan over ‘alledaags seksisme, seksueel geweld en onnodige ongelijkheid’. Wat ik opvallend vind is dat in het voorwoord en in de bio’s van de schrijvers het woord ‘schrijfster’ nergens valt. Columniste ook niet, dat is steeds columnist. Die gelijkheid is zeer gemakkelijk zelf te bewerkstelligen en het is mooi dat Postma daarvoor kiest. Dat is professioneel. Een jurist kan man of vrouw zijn. Maakt niet uit, allemaal juristen. Geen jurist en juriste. Geslacht maakt niet uit, het gaat om het werk, als jurist.
Arnon Grunberg schreef hierover in zijn Voetnoot: ‘Ieder individu heeft het recht niet gereduceerd te worden tot de groep waartoe zij of hij zou behoren, maar identity politics, of het nu gaat om vrouwen, zwarten of Joden, is een doodlopende weg, juist omdat het individu weer gereduceerd wordt tot religie, huidskleur, geslacht.’ Ik sta achter dit idee. Als het om schrijven gaat: wat je schrijft is belangrijker dan je geslacht, en ook belangrijker dan je religie of huidskleur. De vraag is alleen: Wie deelt in? Wie maakt het onderscheid?
Anja Sicking haalde Martinus Nijhoff aan, een man die zei dat het niet uitmaakt wie een tapijt gemaakt heeft, als het maar een mooi tapijt is.
Komt al in de buurt van waar het over gaat: het maken. Schrijven is maken. Dat wat gemaakt is kan beoordeeld worden, door mannen en door vrouwen, in kranten en in tijdschriften, en er zijn prijzen met nominaties en winnaars, en dat kan allemaal geteld worden, en die man-vrouw verhoudingen zeggen heel misschien iets over een afgeleide ongelijkheid maar dan alleen iets over een ongelijkheid op het gebied van lezen, oordelen, recenseren. Het zegt niks over het schrijven zelf.
Is er wat betreft het schrijven ongelijkheid? Zowel vrouwen als mannen schrijven. Niemand verbiedt het vrouwen, en mannen ook niet. Schrijven er meer mannen dan vrouwen? Lastige vraag, want de meeste boeken worden niet uitgegeven. Ik gok dat vrouwen in ieder geval evenveel schrijven als mannen.
Die boeken moeten hun weg zien te vinden naar uitgevers. Worden er meer boeken van mannen dan van vrouwen uitgegeven? Ik ken de cijfers niet, maar ondanks dat er al vijfentwintig vrouwelijke schrijvers te bundelen zijn, denk ik van wel. Ongelijkheid! Dat is interessant. Waarom? is de vervolgvraag. Zitten de uitgevers hier achter? Die mannen in pak, met sigaren, op hun leren bureaustoelen, die vrouwenhaters.
Dat ouderwetse beeld klopt echter al lang niet meer. Verreweg de meeste uitgevers die ik heb meegemaakt zijn vrouw. Redacteuren ook. Marketingmensen van uitgeverijen, publiciteit, verkoop trouwens ook, allemaal vrouwen. Houden die vrouwen hun eigen schrijvende vrouwen buiten de deur? Dat is niet zo netjes, of niet zo slim. Of lezen ze gewoon wat er binnenkomt of aangeboden wordt? Beoordelen ze tekst of kijken ze naar de m/v?
Uitgevers zijn, of ze nou man of vrouw zijn, heel simpele mensen: als je een goed boek schrijft willen ze het allemaal hebben. Uiteindelijk telt kwaliteit. Nijhoff noemde dat een tapijt. Een mooi tapijt.
En waarom gaan er toch zo weinig literaire prijzen naar boeken van vrouwen? De Librisprijs slechts twee keer. De AKO een keer of vijf, zes. Zijn de jury’s oneerlijk? Zitten daar allemaal mannen in die het de vrouwen niet gunnen of die onbewust steeds kiezen voor een man? Ook hier is het antwoord: Welnee. Die mensen lezen gewoon een paar boeken, en zeggen wat ze er van vinden. Dat laatste is belangrijk.
Het punt is: als een boek van een vrouw niet genomineerd is dan is er sprake van ongelijkheid en oneerlijkheid, als een man niet genomineerd is dan is zijn boek niet goed genoeg, of zijn andere boeken beter. Dat is de ongelijkheid: het schijnargument.
Ik zat de afgelopen drie jaar in de jury van de Woutertje Pieterse Prijs. Steeds een keurige man-vrouw verdeling en de eerste twee edities won een vrouw. Over de laatste editie kan ik nog niks zeggen, de prijsuitreiking volgt nog. Wel kan ik zeggen: Het beste jeugdtapijt wint.
Natuurlijk is het veilig een literaire prijs voor enkel vrouwen uit te schrijven. Daar zijn er een paar van. Maar is dat de oplossing? Schrijven is geen hardlopen. Schrijven is het maken van een tapijt.
Sanneke van Hassel heeft me ooit verteld dat vrouwen anders kijken, voelen, denken, schrijven, en dat ze dus andere boeken maken. Daar was ik het helemaal mee eens, maar voor mij tellen toch vooral de keuzes die een ieder in het schrijven zelf heeft. Sanneke maakt zeer goeie keuzes, daar kwam ik wel achter toen ik haar verhalen herlas voor de bundel De ochtenden. Wat zij doet is schrijven naar een eigen kwaliteitsstandaard. Over mannen, over vrouwen, over Rotterdam. Altijd heel goed proza.
Komen we dicht in de buurt van het doel. Van de grote groep die de discussie voert is slechts een klein deel serieus met schrijven bezig, en met goed schrijven. Een hachelijk argument: kwaliteit. Want hoe beoordeel je dat? Hoe tel je dat? Over inhoud praten is erg moeilijk, zelfs als er heldere voorbeelden aangehaald worden. Toch kan iedereen in het boekenvak heel goed zelf de kwaliteitsnorm bepalen, de een legt hem wat lager dan de ander. Maakt niet uit. Als uitgevers, recensenten, juryleden, boekhandelaren en lezers het kunnen, dan lijkt het me voor schrijvers helemaal eenvoudig. Of zijn er schrijvers die dit niet zo goed durven? Weer een vervolgvraag: Hebben juist vrouwen hier moeite mee?
Op welke manier bespreken vrouwelijke schrijvers elkaars werk? Ik weet daar vanzelfsprekend weinig van – ik ben daar niet bij – ik vraag me alleen af of vriendinnen die allebei schrijven de thee en de koekjes en de gezelligheid niet verkiezen boven het schrijven. Spreken vrouwen die schrijven onderling naar elkaar uit wat ze van elkaars boeken vinden?
Ooit trof ik in de kroeg een schrijver die vroeg wat ik van zijn boek vond. Ik zei: Ga maar even zitten. Ik haalde wat te drinken voor ons beiden en ik zei hem wat er zo vreselijk was aan zijn boek. Toen we de kroeg verlieten schudde hij me de hand, bedankte me en sindsdien zien we elkaar regelmatig. Het kan, maar kunnen vrouwen dat?
Laatst hoorde ik een vrouwelijke schrijver heel voorzichtig zeggen dat vrouwen de lat iets hoger moeten leggen, met schrijven. Ze noemde geen namen, maar dat lijkt me de enige opdracht: een boek schrijven dat zo goed is dat geslacht niet meer uitmaakt, en ook niet als excuus gebruikt kan worden. Ik weet zeker dat er vrouwen zijn die dat kunnen. Die uitgevers en recensenten inpalmen met hun proza, die prijzen pakken, die bovenaan de bestsellerslijsten staan. Neem een voorbeeld aan het zelfbewuste schrijven van veel vrouwelijke thrillerschrijvers. Saskia Noort en Esther Verhoef hebben die schroom volledig van zich afgeworpen, zelfs zo goed dat er mannen zijn die een vrouwennaam als pseudoniem kiezen.
Helaas ligt de focus van het huidige debat niet op het schrijven zelf en op de kwaliteit van schrijven. Daar gaat het over, maar deze lastig te duiden elementen vertroebelen de discussie, maken hem subjectief, onduidelijk, warrig, vooral voor mensen die geslacht verkiezen boven tekst.
Schrijven is moeilijker dan tellen.

«
»

Jan van Mersbergen

29 Responses to “een mooi tapijt”

Jan van Mersbergen