De hele dag is hij in de tuin. Op de voorste zitting van de picknickbank heeft hij zijn pannetjes gezet, hij maakt soep. Een keuken in het klein.
We gooien soms brood in de tuin. Dat kan hier, er zijn geen ratten of muizen, het brood is voor de vogels en het is zo weinig dat het direct opgegeten wordt.
Hij weet dat er verschillende vogels zijn. Als er een ekster in de tuin komt zitten, zegt hij: Merel. Of: Duif.
Die vogels zijn dus wat moeilijk uit elkaar te houden.
Als er kraaien op het dak van de schuur gaan zitten, zegt hij: Raaf.
Dat doet hem denken aan carnaval.
Wat de vogels gemeen hebben: ze zijn wat betreft formaat wel te overzien. De merels klein, de ekster met zijn grote poten iets groter, net als de logge duif. Maar de meeuw die laatst over de schutting zweefde en achterin de tuin bij de boomstronk landde was te groot. Hij bevroor. Hij stond nog een stuk van de meeuw vandaan en nu zijn vleugels ingeklapt waren leek de vogel iets kleiner, toch waren de poten en de snavel indrukwekkend. Hij keek of de meeuw dichterbij kwam. De meeuw liep. Mijn zoon zocht de deur. Hij kwam naar binnen.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen