Ik had Theo nog zo gezegd zijn blikje thuis te laten of in de tram op te drinken, maar nu liepen we toch over dat vreemde straatje met die slootjes erlangs en had hij die halveliter nog in zijn hand. Als er fietsers langs kwamen hield hij het blik tegen zijn been. Een man op de fiets zag het wel, hij fietste met zijn zoontje naar school, want het was bijna half negen en het was een gewone doordeweekse dinsdag, de eerste dag dat we hier moesten beginnen. Of beter gezegd: dat ik hier moest beginnen, want over Theo had ik niks gezegd.

Het adres had ik onthouden. Nummer 18, aan de rechterkant van de straat die vanaf een soort oud dijkje naar beneden liep. Nummer 18. Er stonden kasten van huizen, een nieuw huis op de hoek en een groot bakbeest met een hoog hek erom waar Theo al naar zat te loeren, en ik zei: Kom. En doe dat blikje weg. Hij vroeg me nog wel waar hij het dan moest laten want er stond hier nergens een vuilnisbak, godver Theo die opeens de nette jongen uithangt met zijn pils.

Nummer 18 lag een eindje van de weg vandaan, een brede oprit over, eigenlijk een soort verhardde brug met grind erover. Het was een klein huisje, dat viel ons weg op. Theo schuifelde naast me naar de voordeur. Ik wees hem nog een keer naar dat blikje en ik vloekte nog wat, maar hij zei: Ze zijn toch niet thuis. Dat klopte wel, de meeste mensen waar ik kom zijn niet thuis. Die zetten de emmer en de zeem en die andere troep klaar en smeren hem dan, zelfs als ze anders thuis werken.

In de berichtjes had ik doorgekregen waar de sleutel lag, ergens achter een bloempot. Het was even zoeken, want ze hadden hem er niet achter gelegd maar eronder, ik zag het omdat de pot scheef stond. En ik moest Theo vragen of hij dat ding even opzij wilde tillen. Hij deed het met tegenzin. Ik zei: Theo, ik ga hier werken voor ons geld. Doe maar mee, anders krijg jij niks van het eten dat ik ervoor ga halen.

Theo deed wel mee, vanaf dat moment, al moest ik het blikje zelf in de vuilnisbak gooien, die stond naast de schuur. Het was een klein huis en gelukkig lag er bijna geen troep op de vloer zodat ik meteen kon stoffen en stofzuigen en dweilen, en daarna de plee en de badkamer. Het was niet heel erg vies. De emmer naderhand vertelde een ander verhaal. Het is vuil, je ziet het niet als je zo binnenstapt, maar het is er wel.

Toen we net weg wilden gaan hoorde ik een fiets in het grind. Ik was net in de hal en keek langs de deur die de hele tijd open had gestaan, en ik zag een meisje aan komen lopen, met de fiets in haar hand. Ze had een tas op het rekje voorop haar fiets. Waarschijnlijk de dochter. Ze zag me niet, wel zag ze dat de deur openstond. Ze zette de fiets op de standaard en kwam heel langzaam naar de deur toegelopen. Ik duwde de deur open en zei haar gedag, en toen begon ze als een varken te krijsen. Echt heel hard.

Sssst, zei ik. Maar dat stomme meisje gilde maar en gilde maar. Ik denk dat ze haar hadden vergeten te zeggen dat er een schoonmaakster zou zijn, en ik had mijn doek om en handschoenen aan, en dus zag ik er wel uit als een schoonmaakster en als niks anders, maar ze bleef maar gillen, tot Theo de hal in kwam. Toen was ze stil. Theo stond achter me dus ik zag hem niet, maar hij is groot en kan zo kijken en ik zag alleen dat het meisje wegrende, de weg op.

Net op dat moment kwam er een auto aanrijden en verderop waren drie mannen bezig een oprit aan te leggen of een nieuwe brug te maken of zoiets, en zij zagen het meisje en ze hadden haar gehoord, en met z’n vieren hielden ze haar aan en vroegen ze haar van alles. Het meisje wees naar haar huis. Ik stond nog steeds achter de deur, schuin achter de deur. Theo was in de hal. Ik zag ze aan komen lopen en ik weet hoe Theo is, dus ik zei: Niet naar buiten gaan, niet doen, we hebben niks gedaan.

Theo ging toch naar buiten. Daar ging het mis. We hadden niks gedaan. Theo had niks gedaan, maar hij kan er niet tegen als andere mensen denken dat we wel iets gedaan hebben. Daar kan hij echt niet tegen, dan knapt er iets in hem. Die mannen van die brug kwamen ook wel dreigend naar het huis toegelopen. Die gasten. Dat hadden ze niet moeten doen, dat hadden ze helemaal niet hoeven te doen. Ze hadden ook eerst iets kunnen vragen. Dat helpt bij Theo, soms.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen