Een passage uit De hoogstapelaar van Wessel te Gussinklo:

‘Een keer was hij te ver gegaan. ‘Ach mens, ga toch naar beneden,’ had hij geroepen, en daarna krachtig: ‘Ga weg, donder op, ik wil nadenken.’ Maar dat was een stap te ver geweest, te onbeschoft, ‘vlerkerig’ had zijn moeder gezegd, ‘deze week geen zakgeld’. De vijf gulden, het schamele loon voor zijn aanwezigheid als zoon; geld dat hij nodig had, waarop hij rekende, bijvoorbeeld om sigaretten te kopen (de extra allure en kracht, de uitstraling van overwicht die een sigaret gaf) en in een café zitten samen met zijn vrienden – de jongens die altijd bij hem wilden zijn – en cola drinken, krachtig sigaretten rokend. Maar geen geld, dan geen cola, geen sigaretten. (En die andere keer, vreselijk was dat geweest, afschuwelijk, die keer dat ze onverwacht binnenkwam in zijn kamertje, terwijl hij daar zat met die spullen, die kleren. ‘O jongen!’ had ze geroepen. ‘O jongen!’ Alsof ze haar hand voor haar mond sloeg. Meteen was hij naar haar toe gesprongen en duwde haar zijn kamertje uit, de deur sluitend en op slot. ‘Jongen!’ riep ze. ‘Jongen!’ Ze bonkte op de deur en riep opnieuw. Als van steen was hij, als bevroren. Hij reageerde niet. En daarna het zachte, haast dreinende geluid van zijn moeder, die daar stond aan de andere kant van de deur en niet wegging. Huilend stond ze daar, machteloos en gelaten. En pas veel later hoorde hij haar zachte, haast sloffende voetstappen zich verwijderen. Nooit had ze iets gezegd, geen woord was erover gesproken. Onbestaand, vervluchtigd als een droom was het gebeuren geweest.)’

De hieruit te destilleren tips voor het schrijven van prijswinnend proza:

1. Begin zinnen met ‘ach’ of ‘o’.
Dat is geen hoofse taal uit de vijftiende eeuw, dat is moderne literatuur. Dat geeft schwung aan de vertelstem. Andere opties die elders ook veel gebruikt worden: ‘nee’ of ‘ja’. Dan neemt de verteller het woord met een krachtige ontkenning of bevestiging. Zinnen beginnen met de combinatie ‘Ach ja’ of ‘Maar ja,’ is natuurlijk ook mogelijk.

2. Gebruik ongegeneerd de voltooid verleden tijd.
Dat is lekker ver weg: ‘…had hij geroepen.’ Niet: ‘…riep hij.’ Dat zou suggereren dat deze gebeurtenis of uitroep in dezelfde tijd in het verleden speelt. Nee, dit is eerder, dus verder weg, dus prop zinnen lekker vol met ‘had’ en ‘was’ en een voltooid deelwoord.
‘…had zijn moeder gezegd.’

3. Plaats het verhaal sowieso ver weg in de tijd.
Een jeugd in een grijs verleden is een bron van rijkdom, dus een Dostojewski-achtige moeder, de gulden, wat ouwelijke termen als ‘schamel’, ‘vlerkerig’ en ‘dreinend’, het koketteren met de kracht van een sigaret… het geeft de vertelling historische waarde die bijdraagt aan het literaire gehalte van het proza.

3. Gebruik herhalingen met aanvullende uitleg.
‘Ga weg, donder op.’
Al worden deze woorden werkelijk door iemand uitgesproken, de kracht zit hem in de herhaling.
Zoals ook in: ‘Maar dat was een stap te ver geweest, te onbeschoft, ‘vlerkerig’ had zijn moeder gezegd.’
Schrijven is geen gokken. Ook al begin de passage met de constatering dat hij een keer te ver was gegaan, als degene zijn moeder wegstuurde mag daarna best herhaald worden dat het een stap te ver was geweest. En onbeschoft. En dat zijn moeder het vlerkerig noemde. Trouwens, een stap te ver hoeft helemaal niet onbeschoft te zijn, dus de bevestiging van het onbeschofte mag er best bij. Uiteindelijk zal de lezer zich zeker in een van deze duidende termen herkennen en de emoties kunnen plaatsen.
De moeder wil haar zoon geen zakgeld geven: ‘…geld dat hij nodig had, waarop hij rekende.’ Dat is geen vreemde dubbeling, het kan zo zijn dat deze jongen geld nodig heeft, maar er niet op rekent. Dat kan maar beter uitgelegd worden.
Als iets vreselijk is dan kan het ook nog afschuwelijk zijn, dus schrijf dan, in de voltooid verleden tijd natuurlijk: ‘…vreselijk was dat geweest, afschuwelijk.’
Zoals ook de herhaling in: ‘Nooit had ze iets gezegd, geen woord was erover gesproken.’ Als de lezer nog niet door heeft dat die arme moeder niks meer over het voorval zei, dan mag best nog benadrukt worden dat er geen woord over gesproken was, vanzelfsprekend in de voltooid verleden tijd.
Duiding is goed. Extra duiding is beter!
‘Huilend stond ze daar, machteloos en gelaten.’
De lezer begrijpt misschien al hoe de huilende moeder zich voelt, maar misschien is het beeld niet voldoende dus geef de lezer voor de zekerheid nog even mee dat ze machteloos is, en gelaten.
Hanteer niet het ouderwetse ‘less is more.’ Meer is meer!
‘De deur sluitend en op slot.’ Ook al is het moeilijk een deur achter iemand op slot te doen zonder hem eerst te sluiten, hou de juiste volgorde aan en wees precies in deze handelingen. De lezer mag niet denken dat de jongen alleen de deur sloot, zonder hem op slot te doen.

4. Gebruik herhalingen met een extra vergelijking, ook al vullen die elkaar amper aan.
‘Als van steen was hij, als bevroren.’
Dat lijkt hetzelfde, maar toch weer niet, want het materiaal en de staat verschillen. Steen, hard, kou, ijs. Samen vertellen deze woordjes de lezer in ieder geval dat hij zich niet kon bewegen, maar dan in vergelijkingen. Bovendien, al zou een lezer denken dat een steen zich toch kon bewegen, dan geeft ‘bevroren’ aan dat de lezer het toch echt mis heeft.

5. Zet lukraak zinnen tussen haakjes.
Dat is speels en spannend, en het geeft aan dat er buiten alle aanvullingen, overbodige termen en duiding zelfs nog zinnen zijn die werkelijk totaal overbodig zijn, maar niet vergeten mogen worden.
(Subtip die elders ook gebruikt wordt: Plaats af en toe een zin in een zin tussen haakjes, (zodat er dubbele haakjes staan. Het komt echt voor in deze roman, en het imponeert.))

6. Sluit een passage af met een zin die zowel de herhaling, de duiding, een vage vergelijking en de voltooid verleden tijd, en de haakjes, die eigenlijk alles, ja werkelijk alles bundelt, samenpakt, ook al weet niemand wat de woorden betekenen, want het is per slot van rekening allemaal net als een droom:
‘Onbestaand, vervluchtigd als een droom was het gebeuren geweest.)’

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen