De lift was krap. Het was in Brussel, in zo’n groot trappenhuis waar de trap zich om de lift heen krult. Ik nam altijd de trap, de brede treden liepen als vanzelf, ook al waren de verdiepingen hoog en leek de trap eindeloos – die dag nam ik de lift.

Een kleine man haastte zich door de voordeur net toen ik in de lift stapte. Hij dacht dat het wel kon, samen naar boven. Ik dacht ook dat het wel kon. Ik hield het hek open. Hij stapte naar binnen en bedankte me. Hij sprak Frans.

De vouwdeur klikte dicht, achter het hek. Ik drukte op de 2, hij moest volgens mij nog hoger. De lift ging omhoog.

De man had een tas aan zijn schouder hangen. Het was een leren tas. Hij maakte de tas open en zocht iets in de vakken. Toen haalde hij er een zakje brood uit. Het brood had een normale kleur, maar zelfs nu ik het zakje voor de man in de lift zag bungelen was er iets vreemds aan het geheel. Het was niet het brood, het zakje ook niet, het was niet een raar soort kaas of een smeersel. Het was de geur. De lucht.

Het duurde even voor ik het door had. Ogen zijn sneller dan je neus. En toch is het effect van geur dan weer sneller. Iets wat er ongewoon uitziet kun je nog wel in je bijzijn hebben. Iets wat zo rook zoals die broodjes niet.

Opeens knalde die geur mijn neus in, en direct schoot het door mijn hele lijf. Het was leverworst die al erg lang buiten de koelkast had gelegen, op een warme dag, in een broeierig zakje. Het was vis in een kapotte verpakking, over de datum. Het was een dierlijke geur, verrotting, zwavel, het was een scheikundelokaal in de jaren tachtig. Het waren alle stinkbommen uit de fietsenkelder van de middelbare school samen. Het was drap van onderuit een sloot.

Op de eerste stopte de lift niet. Daar schoven we heel traag voorbij. De geur nam de complete cabine over. De man was klein, toen hij het broodje uit het zakje had gehaald en een hap nam en begon te kauwen, was de geur zo indringend en misselijkmakend dat ik geen adem meer durfde te halen.

Op de tweede verdieping slingerde ik direct het hek en daarna de vouwdeur open. De man zei tot ziens, op z’n Frans.

Jan van Mersbergen