De dag dat mijn oom zijn goocheltruc uitprobeerde op de jaarmarkt was een warme septemberdag. Na de markt en de wielerkoers zaten de mannen voor het café. De kroegbaas was meestal liever lui dan moe, maar nu had hij toch zijn terrasstoeltjes en de tafeltjes weer uit de opslag achter de kroeg gehaald. De mannen zaten in de zon die bijna de daken aan de andere kant van de straat aantikte. Nu is het moment voor de truc, dacht mijn oom.
Hij had een schoenveter bij zich. Hij haalde de schoenveter uit zijn broekzak. Hij zei niks, hij ging alleen maar staan. De anderen keken hem aan. Mijn oom hield zijn rechterhand voor zijn lichaam, met de vingers gespreid, de duim omhoog. Met zijn andere hand legde hij schoenveter over die rechterhand, één uiteinde viel tussen wijsvinger en middelvinger naar beneden achter de hand, het andere uiteinde viel langs zijn duim achter zijn pols. Hij en de anderen konden tussen zijn vingers en zijn duim voor zijn handpalm een kort stukje van de veter zien. Hij hield zijn hand in de lucht. Hij zei nog steeds niks. Toen bewoog hij zijn linkerhand over de schoenveter die een beetje vreemd in de lucht hing. Vervolgens schudde hij met zijn rechterhand wild in de lucht. Toen hij de hand weer stil hield zat er een knoop in het touw.
De anderen keken hem verbaasd aan, iemand klapte in zijn handen, iemand zei: Waar hedde da geleerd?
Later leerde ik de truc van mijn oom. Het touw moet precies goed over je hand liggen. Als je met je hand schudt dan pak je het linkeruiteinde gauw vast, met duim en wijsvinger, en verder schud je het stuk dat over je hand ligt daar overheen, dus de veter moet niet te strak liggen. Een beetje oefenen op snelheid en de truc werkt bijzonder goed. Succes.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen