Op de drukke weg bij ons huis lag een gans.
Mijn zoontje zei: ‘Die is helemaal dood.’
De volgende dag was de dode gans weg en zat er precies op die plek een andere gans te wachten. Een levende. De gans staarde naar de plek waar de andere gans omgekomen was.
Was dit een stelletje?
Zijn ganzen zo prachtig trouw?
Er stonden twee vrouwen bij de wachtende gans. Een vrouw met een fiets, een andere vrouw met een boodschappenkar op wieltjes. Ik vertelde van de overreden gans.
‘Moeten we de dierenambulance bellen?’ vroeg de vrouw met de fiets. Ik zei dat hij niet ziek is. Hij is alleen misschien heel verdrietig.
Ze wisten niet wat ze moesten doen. Ik wenste ze een fijne dag, liet ze achter en ging naar de tram en van daar naar de metro en met de trein naar Carnaval.
Onderweg vertelde ik mijn zoontje van de gans. Van de twee ganzen.
Zijn mama was al bij Carnaval. We gingen naar haar toe.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen