De ouders van mijn ex wonen in Twente. Ik ging daar regelmatig op bezoek. Het was van Amsterdam twee uur en een kwartier met de trein, over een traject dat steeds smaller en trager leek te worden, want eerst zaten we nog wel in een intercity, via Amersfoort de Veluwe over, maar als je eenmaal voorbij de IJssel was dan moest je het doen met een stoptrein die bij iedere boerderij stopte.

Ik kwam heel graag bij mijn ex-schoonouders. Zoals iedereen in Twente woonden ze in een groot huis met een grote tuin, er was plek voor iedereen, en dus ook voldoende plek om je eigen gang te kunnen gaan. Die ruimte was er. Gewoon een paar uur wat lezen in een hoekje ergens in dat huis.

Buiten het huis was Twente, daar was minder ruimte.

Toen ik daar voor het eerst kwam was ik vierentwintig. Tijdens die lange treinreis waren mijn ex en ik op een of ander klein overstapstation in Twente een beetje aanhankelijk, en direct riep er iemand: Het is hier geen sextent!

Het was de man die het koffietentje runde op het perron. Fysiek contact, al is het maar een kus, moest meteen de kop ingedrukt worden. Voor je het weet loopt het helemaal uit de hand.

En toen waren we nog niet eens daadwerkelijk in het Twentse dorp, dat altijd verlaten leek maar waar je wel steeds de indruk had bekeken te worden. Overal waren mensen die naar je keken. De mensen zelf bevestigden dat, want als je met ze sprak – wat soms voorkwam – dan wist je binnen de kortste keren hoe het met de buren van die mensen ging, met de zoon van de bakker, met de overburen van de slager, met de ouders van een kindje bij hun kindje in de klas, maar van de mensen die deze verhalen vertelden wist je uiteindelijk niets.

Het was alsof de ik-vorm niet bestond. Mensen spraken alleen in de derde persoon. Hij heeft dit, zij heeft dat. Hij doet zus, zij doet zo…

In Amsterdam is dat anders. Daar praat iedereen doorlopend in de ik-vorm, en met flink volume. Daar word je op een gegeven moment ook helemaal kriegel van maar dat heeft toch mijn voorkeur boven het Twentse derde persoon, die echt achterbaks voelt, want als iedereen zo over een ander praat zonder te beseffen dat ze zelf dus ook zo over de tong gaan, en dat toch nog volhouden, dan loopt iedereen met een masker op. Niemand wil laten zien hoe hij of zij zelf is, want dat verhaal verspreidt zich supersnel en daar kom je nooit meer vanaf. Maar dus zelf vertellen hoe je bent kan ook niet. Beklemmend.

De Amsterdamse ik heeft dat niet, integendeel, die kan de verhalen vaak nog lekker wat aandikken en oppoetsen. Het duurde even voor ik dat begreep, maar uiteindelijk prik ik daar wel doorheen. De vermakelijke verhalen blijven, en als ik mag kiezen hoor ik liever persoonlijke verhalen die niet kloppen dan de stellige waarheid over anderen.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen