De ochtend waarop een pakketje op de bus gingen gooien, voor de online les begon, was er bijzonder veel te zien in de buurt. Mijn zoontje hield het pakketje vast. Het was heel koud. Het was al bijna een week na oudjaar, en toch was de eerste brievenbus aan de brede straat nog buiten gebruik. Mijn zoontje zei dat we naar zijn school konden gaan, daar staat ook een brievenbus. dat was een goed idee, maar die bleek ook nog dicht te zitten. De derde brievenbus was bij de Jumbo. Op weg daarheen zagen we een auto die deed of hij een tram was. Hij had zijn echte wielen in de lucht en reed op kleine metalen wielen over de tramrails. Hij maakte het tramspoor schoon. De auto had zelfs een trambelletje, toen hij optrok voor het groene stoplicht. De derde brievenbus zat helemaal tot de nok toe vol, dus ik besloot maar naar het postkantoor te rijden. Mijn zoontje vond het prima, hij hield het pakketje goed vast. Op de parkeerplaats zag ik een vrouw in een gele auto stappen, en de auto had een lekke band. Het leek of de vrouw niets door had. Ik draaide om en vroeg de vrouw of ze wist dat haar achterband lek was. Hij is wel wat zacht, zei ze. De band was helemaal plat, ze reed bijna op de velg en het leek me gevaarlijk om te gaan rijden, zeker op de snelweg. Maar ze vond hem dus alleen wat zacht. Ik zei: Hij is wel erg plat. Ze reageerde niet meer. Ze reed de grote weg op, langs de brievenbus, op de trambaan. Op het fietspad bij het tuincentrum zagen we een man met een fiets over een grasveld schuifelen. Kijk, zei mijn zoontje, kijk achter je. Ik vroeg hem of hij die man bedoelde, die man zonder huis. Mijn zoontje knikte, hij vond het zielig, een man zonder huis. De man had alleen een oude fiets met een heleboel spullen eraan. Het was vreemd om een dakloze te zien bij de hoek van het tuincentrum waar op dat moment honderden kerstbomen door de versnipperaar gehaald werden. De winkels dicht, tuincentrum dicht, precies de dagen voor kerst. Onverkochte kerstbomen werden versnipperd. Het zag er treurig uit. Enorme stapels bomen, en het constante geluid van vernietiging. Nu weet ik dat die bomen gekweekt worden om in een huis te staan, en daarna gaan ze vaak bij het vuil, nu waren het ongebruikte boompjes, onnodig geteeld, het voelde als een ruiming. Bij het postkantoor konden we het pakketje gewoon in de brievenbus gooien die daar voor de deur staat. Na de brievenbussen die dicht of vol zaten, de auto die de tramrails schoonmaakte en de man zonder huis zagen we bomen die met hun wortels het fietspad kapot maakten. Het asfalt scheurde gewoon helemaal open. Het fietspad was hobbelig. Toen hadden we het koud. Op de terugweg fietste er een dikke man voor ons. hij zat op een mountainbike. Uit zijn kontzak ging iets: een zakdoek of een mondkapje. Ik zei: er hangt iets uit zijn broek. Mijn zoontje keek. Een mondkapje, zei ik. We reden vlak achter de man. Ik zei: Zullen we even zeggen dat hij bijna wat verliest? Mijn zoontje reageerde niet. Hij zei: Dat is zijn pielie. Mijn zoontje is vier. Jongetjes van vier zijn de hele dag bezig met pielies. Nou, zei ik. Dan zeggen we maar niks, want je pielie kun je niet verliezen. Die heb je thuis nog nodig. Dat vond mijn zoontje ook. Hij gierde van het lachen. Snel naar huis! We haalden de man in en sloegen linksaf, op naar huis. We hadden genoeg gezien.

Jan van Mersbergen