Op de veertiende april van dat jaar verloor Alicia haar moeder en de helft van haar gezicht.
De presentatrice kijkt in een van de camera’s, vouwt haar handen samen voor haar buik, knikt kort en als op het scherm achter haar een foto van de jonge Alicia verschijnt herhaalt ze: De helft van haar gezicht.
Het meisje op de foto lacht. Ze heeft een schooltas op haar rug.
Vandaag laten we haar verhaal zien, klinkt de stem van de presentatrice. Een ongelofelijk verhaal. Alicia was net zeventien geworden. Een veelbelovende scholiere die een beurs zou krijgen en zou gaan studeren. Ondanks haar thuissituatie. De vriend van haar moeder bedreigde en – ze kijkt even opzij – misbruikte haar. Dagelijks. Bijna dagelijks. Tot de veertiende april van dat jaar. Op die dag betrapte haar moeder hem. En hij pakte zijn pistool.
Ze praat langzamer nu.
De kogel sloeg één kant van haar gezicht weg. Daarna schoot hij haar moeder dood. Alicia vocht voor haar leven en vandaag is ze hier.
Applaus. De mensen in de studio gaan staan.
We zijn zo bij u terug.
En weer hypnotiseert de presentatrice de camera.

Er belde iemand van de krant. Dit was meer dan een jaar na de dood van haar moeder. De man stelde zich voor en hij vroeg of hij haar kon interviewen.
Wanneer?
Morgen. Morgen zou het beste uitkomen.
Ze was lange tijd stil. De man zei: Hallo. Bent u daar nog?
Ze vroeg: Waar wilt u over praten?
De man aarzelde.
Ze dacht aan haar moeder. Ze dacht aan hoe haar moeder in gesprek ging met de telemarketeers waar ze nu zelf zo graag naar luisterde. Haar moeder vroeg hen hoeveel ze verdienden en zei dat ze hoopte dat ze in de toekomst beter betaald zouden krijgen.
Toen zei de journalist: Over wat er met u gebeurd is.
Met mij is er niks, zei Alicia.
De man haakte af.
Niet lang nadat de journalist gebeld had hing er iemand anders aan de telefoon, een vrouw met een rustige vriendelijke stem. Ze zei dat het haar speet wat haar overkomen was. Ze zei dat ze aandacht aan haar moeder wilde besteden in een televisieprogramma.
Aan mijn moeder?
En aan u.
Ik wil wel praten over mijn moeder.

Twee dagen later belde de vrouw weer op, weer met die vriendelijke stem. Ze zei dat ze eerst iets af wilde spreken, om alles goed door te praten. Ze zei dat ze samen met haar naar het graf van haar moeder wilde gaan. Zonder camera’s.
Goed, zei ze tegen de vriendelijke stem.
Ze spraken af bij het oude busstation. Het was warm. Ze had de trui aan die ze van haar tante had gekregen, en toen ze langs een etalage liep en ze zag hoe haar spiegelbeeld weggedoken was in de kraag trok ze de rits open en even later trok ze de trui uit. De vrouw wachtte op haar in een van de bushokjes. Verder was er niemand. Ze praatten met elkaar.
Het is hier vlakbij, zei Alicia.
De vrouw vroeg naar haar moeder. Hoe oud ze was, wat voor werk ze deed, of ze broertjes of zusjes had. Ze had het idee dat de vrouw wel wist hoe oud haar moeder was en waar ze werkte en dat zij enig kind was, toch gaf ze antwoord. Ze zei: Mijn moeder werkte hard. Ze was lief voor me.
De vrouw zei heel vaak dat het haar speet.
Alicia voelde zich op haar gemak, in het verlaten busstation. Toen de vrouw vroeg of ze mee wilde werken aan de uitzending knikte ze.
Alles zou geregeld worden. Ze werd thuis opgehaald en met een charter naar de studio gevlogen. Het was meer dan twee uur vliegen. In het vliegtuig kreeg ze vers fruit en yoghurt en een broodje met krabsalade. Er was een hotelkamer voor haar gereserveerd. Het was een mooie schone kamer die uitkeek over de stad. Voor ze ging slapen ging ze voor het raam staan en ze keek naar de hoge gebouwen en naar de lichtjes op straat, de gele lichtjes van de lantaarns en de lichtjes van de auto’s die daar eindeloos doorheen bewogen.
De volgende middag werd ze voorgesteld aan de presentatrice, die haar in haar armen nam, zoals haar moeder dat kon wanneer ze uit haar werk kwam en haar vriend de deur uit was. De presentatrice keek haar aan en huilde. Er werd niet gerepeteerd, althans niet waar zij bij was. In de kleedkamer werd ze geschminkt. Er werd haar gevraagd of ze een sjaal of zoiets wilde, voor haar gezicht, en ze schudde haar hoofd.
Toen begonnen de opnames.

De presentatrice vraagt: Kun je je herinneren dat je er zo uitzag?
Jawel.
Wat denk je als je die foto ziet?
Dat mijn moeder er toen nog was.
Wat denk je nog meer?
Ze denkt lang na.
Wat zie je dan? Op die foto.
Alicia zwijgt.
De presentatrice zegt: Rustig maar.
Maar ze is rustig.
Niet weggaan, klinkt het. We zijn zo terug. Het publiek gaat staan en de presentatrice legt een hand op haar bovenbeen. Een man met papieren in zijn handen komt naar de bank gelopen. Hij zegt iets tegen de presentatrice. Dan kijken ze allebei naar haar. De presentatrice vraagt: Wat denk je als je die foto van jezelf ziet?
Dat mijn moeder er toen nog was.
De man met de papieren kijkt de presentatrice aan. Dan gaat hij door zijn knieën.
Zou je iets over jezelf kunnen zeggen? vraagt hij en achter hem op de monitor verschijnt de foto.
Over mezelf?
Als de opnames weer beginnen wordt haar de vraag opnieuw gesteld.
Wat denk je als je die foto ziet?
Ze zegt: Ik ben blij dat mijn moeder me nooit zo gezien heeft.
De man met de papieren staat naast een van de camera’s. Hij gebaart. De presentatrice zegt: Een ongelofelijk verhaal. Ze is even stil. Dan zegt ze: Onze volgende gast…

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen