Afgelopen week botste twee belangrijke grondbeginselen: verbod op discriminatie (iedereen is gelijk) en de vrijheid een eigen geloof of school aan te hangen. Er zijn gereformeerde scholen die kinderen buiten sluiten als het om de geaardheid van deze kinderen gaat, en volgens de grondwet mag dat niet.

De moeilijkheid is dat het leven en het geloof en jouw gedachten altijd buiten de wet staan. De vrijheid van denken. Zojuist nog had ik een gedachte die echt niet kan, volgens de grondwet, maar ik had hem wel en niemand kwam me berispen, niemand klaagde me aan, ik hoefde me niet te verantwoorden, morgen heb ik weer zo’n gedachte.

Die vrijheid is belangrijker dan de grondwet.

Ik weet ook wel dat wanneer scholen een clausule eisen dat bepaalde groepen worden buitengesloten dit voor die mensen vreselijk is, zeker als het om jongeren gaat, zeker als het om kwetsbare groepen gaat, zoals de groep die tegenwoordig valt onder de afkorting lhbti (lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen, transgenders en intersekse personen). Het moet een eindeloos pijnlijke worsteling zijn van fysiek en gevoel om op te groeien in een gereformeerd gezin en werkelijk niks te kunnen met je geaardheid, met wie je bent. Uit die pijn ontstaat terecht discussie.

De discussie gaat echter voorbij aan de mensen waar de discussie over gaat: een specifieke geloofsgemeenschap. Hoe goed bedoeld ook, binnen de kortste keren is de discussie veranderd is een veroordeling.

De basis van die aparte groep is: ze mogen er zijn, ze mogen belijden wat ze willen, ze mogen vastleggen wat ze denken, ze mogen veroordelen wat ze willen veroordelen. Het pijnlijke is dat de jonge kwetsbare mensen die buitengesloten worden een onderdeel van deze groep zijn. Dat is de werkelijke botsing.

Het is nobel te wensen dat ieder kind onvoorwaardelijk veilig op moet kunnen groeien. Dat zullen alle ouders beamen. Maar hoe kijk je dan tegen een geloofsgemeenschap aan die homoseksualiteit van haar eigen kinderen niet accepteert?

Als ik de schrijnende verhalen hoor van mensen die hun hele jeugd worstelden met hun geaardheid, met wie ze zijn, dan kun je niet anders dan wensen dat dit verbeterd wordt, en toch is het enige wat ze hebben hun familie, hun afkomst. En het enige wapen is ook hier vrijheid in gedachten.

Als je ouders niet in staat zijn jouw geaardheid te accepteren, hoe ga je zelf daarmee om? Oordelend, zoals de kerk doet waar je ouders in vast zaten? Maak je de logische stap weg te gaan door jezelf te accepteren – wat het moeilijkste is – en dus afstand te nemen? Of vergeef je, ondanks alles? En hoe gaat de samenleving daarmee om? Buitenstaanders.

Voor mij staat de vrijheid van denken voorop. Niet vastgelegd in een wet, in een streven of in een verordening. In ieders hoofd. Als ouders een bepaald geloof in hun hoofd hebben dat hun eigen kinderen uitsluit, dan zijn die kinderen alleen geholpen als ze sterk genoeg zijn om zichzelf en wie ze zijn juist een plek te geven binnen die gemeenschap.

Vergeving is vreemd genoeg een term die juist in de kerk veelvuldig geschreven staat. Buiten de kerk is gemakkelijk oordelen de standaard geworden. Oordelen over wat een ander denkt, hoe verfoeilijk het ook is, is een middel dat even slecht is als de kwaal.

Vanuit je eigen moraal, met de grondwet als schild, kwetsbare groepen beschermen, zoals deze week gebeurde in allerlei oproepen om de minister te wijzen op de denkfouten binnen deze gemeenschap, is prijzenswaardig, maar ook is het een moreel superieure en openbare correctheid die er uiteindelijk voor zorgt dat de gedachten waar het in de basis om gaat zich zullen verharden.

Ouders en kinderen worden uit elkaar gedreven. Een gereformeerd gezin met een homoseksueel kind is gemakkelijk te verdelen in daders en slachtoffers. Het is ingewikkelder. In dat gezin worstelt iedereen. De samenleving oordeelt vlot, wil het kind beschermen, drijft een wig in dat gezin. De boodschap: wat de ouders denken is volslagen idioot.

In plaats van maatschappelijke ophef op tv en in de media zou als vrije maatschappij de kracht moeten zoeken om iedere geloofswaanzinnige te laten geloven wat hij of zij wil, zelfs als dat allerlei schrijnende problemen oplevert, verstoting, kapotte levens, woede, onmacht. Alleen dan kan de samenleving schermen met de vrijheid die iedereen zo toejuicht. Alleen dan kan de kwetsbare groep werkelijk beschermd worden.

De paradox zit niet onze wetgeving. De paradox is niet van papier. De paradox is verbondenheid. Een onbreekbare band. De paradox is: accepteer degene die jou niet accepteert.

De paradox is dat ouders met starre verwerpelijke denkbeelden die vanuit dat beginsel in staat zijn zelfs hun eigen kinderen verstoten, altijd de ouders van die kinderen zullen zijn. Enkel veroordelen is te eenvoudig. De wens is deze kinderen zo te steunen dat ze ergens in hun gedachten en in hun lijf de kracht vinden om straks hun ouders werkelijk vaarwel te zeggen, aan een graf, met een bosje bloemen.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen