Sport in de oorlog, april 2010

Als tegenprestatie moesten de beste boksers wedstrijden in Duitsland vechten. Een van hen was Luc van Dam, zonder twijfel de meest getalenteerde Nederlandse boksers. Met hem had Huizenaar aanvankelijk grote plannen. Na een sparringspotje tegen Bep van Klaveren nam Huizenaar Luc van Dam op in zijn boksschool. De twee boksers konden het in hun verdere loopbaan en ook na de drie partijen die ze na de oorlog tegen elkaar uitvochten goed met elkaar vinden. Ze hadden respect voor elkaar. Voor Theo Huizenaar lag dat anders; die had een voorkeur voor de knokkersmentaliteit van Van Klaveren en typeerde van Dam steevast als een vechter zonder bokshart.
In zijn biografie beschrijft Theo Huizenaar zevenentwintig boksers met wie hij heeft gewerkt. Van iedere bokser is een mooie zwart-wit foto geplaatst, met daaronder steeds een lovend verhaal. De kortste bio is die over Luc van Dam, die in één enkele regel wordt getypeerd: ‘Ook een bijzonder knappe bokser met grote talenten, die een heel groot kampioen had kunnen worden, als zijn karakter hem in partijen niet parten had gespeeld.’
Huizenaar was kennelijk teleurgesteld dat zijn pupil hem geen grote titel had kunnen bezorgen. Wat Bep van Klaveren op technisch gebied te kort kwam, kon hij compenseren met vechtlust en wedstrijdmentaliteit. Hij vrat zijn tegenstanders op, en kon grote partijen winnen.

*

Dochter Bianca zegt: ‘Eigenlijk heette Luc van Dam Luc de Vries. De moeder van Luc was weduwe. Haar eerste man, met wie ze vijf zonen had, was een Van Dam. Nadat ze hertrouwd was met een De Vries, werden nog drie kinderen geboren. Een van hen was Luc.
Omdat Luc met zijn oudere halfbroers bokste, werd Luc ‘De kleine Van Dam’ genoemd. Zijn boksnaam zou altijd Luc van Dam blijven, vooral omdat de lettercombinatie van drie keer drie letters aansprekend zou zijn op boksaffiches. Opvallender in ieder geval dan Luc de Vries.
Tot lang na de oorlog was de geboren Rotterdammer Luc van Dam een begrip in de havenstad. Bianca was er aan gewend op straat en in de tram nageroepen te worden: ‘Hé, van Dammetje!’
Tijdens één van zijn eerste partijen zag Luc een opvallend mooie vrouw in het publiek. Hij vroeg aan zijn begeleiders wie zij was. Deze vrouw was de Duitse Susanne Charlotte Wedel. In krantenartikelen en andere documenten wordt ze Suze genoemd, binnen haar familie heette ze Suschen. Haar vader was Joods.
Suze trouwde heel jong met Heinz Grünewald, een man die een textielfabriek had en in rokken en japonnen deed. Ook hij was Joods en vermogend. Onder de dreiging van de jodenvervolging ontvluchtten Suze en Heinz eind jaren dertig Duitsland. Ze gingen in Heemstede wonen, waar een vriendin van Suze’s moeder aan het begin van de oorlog een verklaring aflegde dat haar vader ook de vader van Suze was. Dat maakte Suze tot een buitenechtelijk kind. Deze vader was al overleden en het verhaal kon niet gecheckt worden. Resultaat was dat Suze Volksduitser werd en dat zij niet hoefde te vrezen voor vervolging. Maar haar man Heinz kon deze truc niet uithalen en toen Nederland bezet werd door de Duitsers, moest hij onderduiken. Om geen argwaan te wekken scheidde Suze van Heinz. Na de oorlog zouden ze weer bij elkaar komen.
Dat liep anders.
Na de bokswedstrijd waarbij Luc haar had gespot, kwam Suze in contact met hem. Hij was van eenvoudige komaf, maar knap en charmant. Ze werden verliefd en in 1943 trouwden ze en gingen ze in Bussum wonen. In het Majella Ziekenhuis in Bussum werden hun drie kinderen geboren: Bianca in hetzelfde trouwjaar, Eddy in de winter van 1945 en Ilona in 1946 toen de familie al naar Schiedam verhuisd was.
Bianca schetst het beeld van een lieve man die dankzij het boksen en dankzij zijn vrouw de weg omhoog vond, en die het fundament voor zijn gezin in de oorlog legde. Luc was een huisvader. Een familieman. Hij las zijn kinderen voor uit Kruimeltje en bij aangrijpende passages zagen zijn kinderen hem huilen.
Toen Bianca elf jaar was en een beha moest hebben, ging haar vader met haar mee, onder voorwaarde dat ze er ook een petticoat bij zou krijgen. Ook daar sloeg hij zich doorheen.
De houding die hij thuis liet zien, weerspiegelde zich in zijn boksen. Toen Luc de kans had een Franse tegenstander knock-out te slaan en dat naliet, vroeg Suze hem na afloop waarom hij de kans op een knock-out had laten liggen. Het antwoord van Luc: het was vandaag zijn verjaardag.
Al in zijn succesvolle jaren in de oorlog, toen hij de ene partij na de andere won, werd Van Dam getypeerd als een technisch heel goede bokser, met sterk voetenwerk, maar ook als een bokser die geen afmaker was. Geen killer. Dat is de bekendste typering van de bokser Luc van Dam. Het komt overeen met het beeld dat Huizenaar schetste. De dochters van Van Dam zeggen over hun vader hetzelfde. In een televisie-interview met Ruud ter Weijden, halverwege de jaren zeventig, komt Luc zelf aan het woord en het eerste dat hij over zijn bokscarrière zegt is, dat hij geen afmaker was en dat het allemaal anders was gelopen als hij dat wel was geweest.
De cijfers geven echter een ander beeld. Luc van Dam won elf partijen op knock-out, en met de technische knock-outs erbij komt dat totaal zelfs op zesendertig. Met een knock-outpercentage van ruim 31% scoort Van Dam heel behoorlijk. Hij verloor in zijn gehele bokscarrière zestien partijen. Ter vergelijking: het knock-outpercentage van Bep van Klaveren was 20%.
Hoe kan zo’n succesvolle bokser zo’n lage dunk van zichzelf hebben? Alleen omdat hij door het ontbreken van aansprekende knock-outs of een vermeende killersmentaliteit nooit de Europese titel won? Het lijkt erop dat Van Dam deze karakteristiek zo vaak had gehoord dat hij er zelf in was gaan geloven, wellicht al tijdens zijn boksloopbaan. Een bokser die denkt dat hij geen beslissende stoot in huis heeft, denkt er ook niet aan die stoot te plaatsen.
Toch werkte Luc in de oorlogsjaren gestaag verder aan zijn opmars. Hij bokste in Stadion de Meer, in Carré, in het Amsterdamse Concertgebouw en in Odeon in Rotterdam, in het Kunst & Wetenschappen-gebouw in Den Haag. Voor de Duitse inval bokste Van Dam veertien partijen, waarvan hij er twaalf won en twee verloor, van de Deen Hans Holdt en van Leen Sanders. De partij tegen Holdt was in Denemarken, de andere partijen bijna allemaal in de Rotterdamse Doelen of in de Doelentuin.
De eerste partij van Luc van Dam in de oorlogsjaren was een winstpartij tegen Leen Sanders, op 2 december 1940 in Odeon, Rotterdam. Leen Sanders was joods en werd in de oorlog naar Auschwitz gedeporteerd. Daar kon hij overleven door van zijn vaardigheden als bokser gebruik te maken, een verhaal dat door Erik Brouwer opgetekend is in Achilles 6. Sanders vocht wedstrijden die bekeken werden door Duitse kampbewakers, en kreeg het privilege in de keuken te mogen werken. Van zijn positie maakte hij maximaal gebruik. Hij smokkelde eten de keuken uit en hielp heel veel medegevangenen in het concentratiekamp. Hij overleefde de oorlog en bokste in 1946 nog twee partijen, tegen Jan de Pauw.
Een Duitse bokser van grote faam die Luc van Dam trof was Jupp Besselmann. Van Dam vocht in Hamburg tegen hem om de Europese titel, op 20 januari 1943. Besselmann diende bij de Waffen SS en kon daardoor ruim vier jaar niet boksen.
In zijn biografie beschrijft Theo Huizenaar hoe het duel in Hamburg voorafging aan een incident waarbij de vrouw van Van Dam betrokken was. In de beleving van Theo Huizenaar wilde Suze meereizen naar Hamburg. Huizenaar stelde als voorwaarde dat ze een jodenster zou dragen, want dat was verplicht. Suze weigerde. Waarschijnlijk was Huizenaar niet op de hoogte was het Volksduitserschap van Suze. Hij was in ieder geval verbaasd dat zij geen ster droeg.
Ze reisden naar Hamburg en Huizenaar zat de hele reis in angst. Huizenaar bewonderde haar brutaliteit, maar vervloekte haar eigenwijsheid en kortzichtigheid. In Hamburg kwam de Gestapo achter de komst van Suze. Ze wilden haar meenemen. Volgens eigen zeggen redde Huizenaar de situatie door aan te geven dat ze naar Hamburg waren gekomen om te boksen en nergens anders voor. Dat was in orde, op voorwaarde dat de vrouw van Luc van Dam in het hotel zou blijven. Het overhalen van Suze wordt door Huizenaar beschreven als een daad die meer moeite kostte dan het onderhandelen met de Duitsers. Volgens Huizenaar bokste Van Dam uiteindelijk zonder dat zijn vrouw erbij was.
Alleen op dat laatste punt geven Bianca en Ilona hem gelijk. Bianca: ‘Het is een mooi verhaal van Huizenaar, maar er klopt geen hout van. Zoals gezegd was mijn moeder Volksduitser en hoefde ze helemaal niet bang te zijn voor vervolging, en Huizenaar ook niet. Suze is helemaal niet mee geweest naar Hamburg.’
Waar Huizenaar waarschijnlijk wel gelijk in heeft, is zijn stelling dat Luc van Dam die partij verloor terwijl hij onder normale omstandigheden met gemak zou hebben gewonnen. Maar het was nu eenmaal zo dat in Duitsland niet te winnen was van een Duitser.
Soms kon en mocht je ook niet winnen als je wél een Duitser was, maar geen Ariër. Zo’n Duitse bokser was de Sinti-zigeuner Johann Wilhelm Trollmann. Zijn bijnaam was Gipsy. De Sinti noemden hem: Rukeli. Door zijn on-Duitse stijl en zijn prima voetenwerk werd zijn manier van boksen ‘de dans van Trollmann’ genoemd.
In juni 1933, vlak nadat Adolf Hitler aan de macht was gekomen, had Trollmann in het Duitse titelgevecht Adolf Witt verslagen. Trollmann was op alle fronten sterker geweest. Zes dagen na het gevecht ontving de kersverse kampioen een brief van de Duitse boksbond waarin stond dat hem de titel ontnomen was wegens slecht boksen.
Een maand later stapte Trollmann de ring in voor een partij tegen Gustav Eder, die vanwege zijn uiterlijk – Eder oogde als een echte Ariër – door de nazi’s tot voorbeeld voor alle Duitsers gemaakt. Voor de partij verfde Trollmann zijn haar blond en bepoederde zijn huid met meel. Ook droeg hij een mantel van kamelenhaar. Een provocatie aan het adres van de nazi’s.
Het was een vruchteloos protest, en Trollmann wist het. In de partij weerde hij zich amper, hij liet zich vijf rondes lang als Eders bokszak gebruiken. Van buiten de ring klonk het: ‘Leg dich, Zigeuner, oder wir holen dich und deine Familie!’ Waarna de scheidsrechter de partij voortijdig beëindigde. Hoewel hij de betere bokser was, wist Trollmann dat hij niet kon winnen.
Zijn laatste officiële partij vocht Rukeli in 1934, na jarenlang te zijn geïntimideerd, ook tijdens de wedstrijden. In de oorlog vocht hij aan Duitse zijde, maar uiteindelijk werd hij toch opgepakt en naar Kamp Neuengamme afgevoerd, waar hij zware dwangarbeid moest verrichten. Door een bewaker werd hij herkend als topbokser. Als de bewakers zich verveelden, wierpen ze Trollmann bokshandschoenen toe en liet hij zich onder dwang slaan door de bewakers, die maar al te graag een oud-kampioen klappen gaven. In het kamp klonk bijna dezelfde tekst als eerder in de boksring: ‘Los, Zigeuner, wehr dich!’ Sommige bronnen melden dat Trollmann in 1943 in Neuengamme stierf. Elders is te lezen dat hij een jaar later stierf in het kleine kamp Wittenberge, op 36-jarige leeftijd.
In 1993 volgde eerherstel voor Rukeli. Postuum werd hem de Duitse kampioensriem in het middengewicht uitgereikt. Ook werden er in Duitsland twee plaquettes ter nagedachtenis aan de Sinti-bokser onthuld en in Hannover werd een straat naar hem vernoemd.

*

De bokscarrière van Luc van Dam moest nog beginnen toen die van Trollmann al afgelopen was, toch vochten ze tegen dezelfde opponent: Gustav Eder. In 1942 bokste Van Dam in de Deutschlandhalle in Berlijn tegen hem, als Eders belangrijkste uitdager in die tijd. De Rotterdammer had in twee jaar tijd 22 partijen gewonnen, of in ieder geval niet verloren, want bij de fraaie reeks zat maar één onbesliste partij. Ook Eder had hij al een keer verslagen, maar dat was in Den Haag.
De geschiedenis herhaalde zich. Net als tegen Besselmann verloor Luc Van Dam deze partij in Duitsland. Net als Besselmann bokste Eder een lange periode geen wedstrijden. Ook hij diende aan het einde van de oorlog in het Duitse leger. In Nederland moesten de boksers gevrijwaard worden van tewerkstelling, de Duitse bokstroeven werden naar het front gestuurd.
Voor de dochters van Luc van Dam zijn de nederlagen in Duitsland niet alleen sportieve nederlagen. Ze beseffen dat de relatieve rust waarin hun vader in die tijd kon boksen heel breekbaar was en dat zich in de wereld buiten hun gezin afschuwelijke drama’s voltrokken waarin boksers een rol speelde. Een aangrijpende getuigenis hiervan is afgelegd door Paul Steinberg. Zijn verhaal begint bij Primo Levi.
In het kampdocument Is dit een mens beschrijft Levi sober en analytisch, en daardoor heel indringend, hoe het leven in Auschwitz was. Een poging in woorden te vatten wat in feite niet te vatten is: hoe in Auschwitz de mens zijn menselijkheid ontnomen wordt. Een jongeman speelt een opvallende rol in het boek. Levi noemt hem Henri, een Nederlander, maar zijn werkelijke naam luidde Paul Steinberg, die van Oost-Europese afkomst was en geboren in Berlijn. De rol van Henri is opvallend omdat hij niet alleen een slachtoffer van de kampen is, maar in de ogen van Primo Levi vooral een overlever. Henri was beschaafd en zelfbewust, en een meester in het naar zijn hand zetten van de situatie. Hij kreeg het voor elkaar mensen voor zich te winnen. Hij regelde eten. Hij wilde overleven.
Vijftig jaar na Is dit een mens schreef Paul Steinberg op zijn beurt een boek over de tijd in het concentratiekamp. Dat boek heet De bokswedstrijd. In dit boek, dat onder meer een indringend verslag van een bokswedstrijd in Auschwitz bevat, vraagt Steinberg zich af: ‘Is men schuldig als men overleeft?’
Dat is precies de vraag Primo Levi zichzelf na het overleven van Auschwitz stelde, de vraag die Leen Sanders zich stelde, en het is in algemene zin de vraag die opdoemt wanneer je het boksen in Nederland tussen 1940 en 1945 onder de loep neemt. Huizenaar en zijn boksers is later verweten dat ze in Duitsland boksten en dat ze daarom slecht waren. Zo zwart-wit waren echter alleen de filmbeelden. De werkelijkheid was dat de mensen die pragmatisch met de oorlog omgingen, de meeste kans hadden te overleven.
Die gevoelens spelen ook bij de nazaten van Luc van Dam: hun vader en grootvader leefde in die tijd, bokste in die tijd, en hoe relatief rustig zijn situatie ook was, ook hij en zijn vrouw moesten ongevraagd om zien te gaan met deze situatie, moesten overleven.
In extreme mate gold dit voor Paul Steinberg, die aanvankelijk in het Franse kamp Drancy zat, samen met twee boksers: de Tunesische Jood Victor Young Perez en Robert Lévy. Perez was de eerste Noord-Afrikaanse wereldkampioen. Hij was een vlieggewicht, een man van slechts 1 meter 55. Ze werden naar Auschwitz gedeporteerd waar Steinberg dankzij een abces in zijn voet in een aparte groep ingedeeld werd van 340 mannen die in een rubberfabriek konden werken. De boksers zaten ook in die groep.
In Auschwitz werden bokswedstrijden georganiseerd tussen (oud-)boksers en Duitsers. Omdat Steinberg de meeste boksers al kende, wierp hij zich als zeventienjarige op als hun manager en verzorger. De wedstrijden werden op vrije zondagen gehouden. Tijdens zo’n match bokste Perez eerst tegen een Duitse officier (onbeslist), daarna verloor Lévy van een sterke Duitse soldaat. Ze boksten op het middenterrein van Auschwitz, voor een paar Duitsers en een menigte toeschouwers die op het randje van de dood stonden. Steinbergs verslag is ijzingwekkend en hij beseft dat door zinnen te schrijven als: ‘En nu, u die met mij leest, sluit uw ogen. Probeert u zich achter uw gesloten oogleden het volgende beeld te vormen.’
Na de wedstrijden verloor Steinberg zijn boksers uit het oog, ze werden in een ander blok ingedeeld. Perez overleefde het kamp, maar werd in 1945 door de Duitsers doodgeschoten tijdens de zo geheten ‘Mars der Doden’, de overplaatsing naar andere concentratiekampen zoals Groß-Rosen, Dachau, Buchenwald en Mauthausen.

*

Na de oorlog brak Luc van Dam met Theo Huizenaar, al zou Huizenaar waarschijnlijk gesteld hebben dat hij met Van Dam brak. In ieder geval speelde Suze hierin een doorslaggevende rol.
Op de etage in Amsterdam West haal ik een citaat aan uit de biografie van Huizenaar, waarin hij stelt dat Suze een moeilijke vrouw was.
Bianca de Vries reageert fel, maar helder: ‘Dat was ze ook.’
Suze was van mening dat haar man zonder Huizenaar beter uit de verf zou komen. Ze vond dat Luc erg veel partijen moest boksen, soms met een tussenpose van slechts een paar weken. Ook speelde mee dat Suze Bep van Klaveren niet uitstaan, vooral omdat hij grof in de mond was. Geen heer.
Ilona de Vries: ‘Nog altijd werkt dat door. Ik was een keer in het theater bij Jules Deelder. Hoe hij tekeer ging over mijn vader vond ik echt schokkend.’
Het is bekend dat Deelder bevriend was met Bep van Klaveren. Voor de dochters van Luc van Dam is het nog steeds moeilijk te verkroppen. Het voelt alsof er een hetze tegen hun vader aan de gang was.
Suze werd de manager van haar man. In die periode bokste Luc van Dam drie maal tegen Van Klaveren, waaronder een partij in het Feyenoord Stadion met zeventienduizend toeschouwers. Die partij verloor Van Dam, maar in mei 1948 won hij de derde partij op punten.
De carrière van Luc van Dam duurde voort tot begin jaren vijftig, toen hij naast verliespartijen tegen de Fransman Claude Ritter, de Engelsman Randy Turpin en de grote kampioen Sugar Ray Robinson, een mooie reeks aansprekende partijen neerzette.
Financieel ging het ook goed. De na-oorlogse gages lagen erg hoog. Luc van Dam kreeg voor de partij tegen Sugar Ray Robinson 20 duizend gulden. Maar het huwelijk tussen Luc en Suze liep stuk en na de scheiding ging het bergafwaarts met Van Dam. Een auto-ongeluk betekende een vroegtijdig einde van zijn bokscarrière.
Zijn dochters zijn heel duidelijk over hun vader: Hij was een lieve man die het leven niet aan kon. Luc van Dam miste niet alleen een afmakersmentaliteit in de ring, hij had ook moeite zich tegen het leven te wapenen.
Als we naar een reportage uit de jaren zeventig kijken, waarin Luc van Dam in een rolstoel op de middenstip van De Kuip zit en herinneringen ophaalt aan zijn bokssuccessen, zie ik uit mijn ooghoeken dat zijn dochters zichtbaar geroerd zijn. De eenvoudige jongen die zich aan de zijde van zijn vrouw Suze wist te onttrekken aan het arbeidersmilieu, haalde niet alles uit zijn bokscarrière, en was zonder de steun van zijn vrouw weer terug bij af.
In de film zien we hem revalideren van het auto-ongeluk. Moeizaam beweegt hij zich voort tussen de twee gelijke liggers van een turnbrug. De man die als een hinde door Rotterdam rende toen de stad in puin lag, moest opnieuw leren lopen toen de stad weer opgebouwd was.
Het doet zijn dochters zichtbaar pijn.
Luc van Dam overleed op 21 juli 1976 aan kanker. Hij stierf in Rotterdam, waar het voor hem allemaal was begonnen.

*

Met dank aan Bianca de Vries, Ilona de Vries en Harm van Woerkom.

Jan van Mersbergen