In de speeltuin zette ik mijn fiets naast die van mijn dochter. Ik zag dat haar beugelslot niet goed dicht zat. Het zat scheef. Ik pakte het slot en bekeek de hoop roest die eraan zat. Ik vroeg haar sleutel.
Mijn dochter zei: Ik doe dat thuis wel.
Wat doe je thuis wel? Wat je eigenlijk al in februari had moeten doen?
Ehh.
Mijn zoontje wachtte in het zitje.
Ik probeerde het slot open te draaien. Dat lukte niet. Het was verroest en vies. De sleutel kon er maar tot de helft in.
Waarom heb je dit gewicht aan je stuur hangen? vroeg ik. Dit ding is maanden niet gebruikt.
Weer zei ze ehh.
Ik zei dat ik bij de beheerder van de speeltuin kruipolie ging vragen. Ze zei weer dat ze het thuis wel zou schoonmaken. Ze kent me, ik doe zoiets meteen. Ze zei wel: Het is gĂȘnant.
Nou dat verroeste slot was zeker gĂȘnant. Daar kun je echt niet mee rondfietsen.
Mijn zoontje herhaalde met een lage stem: Daar kun je echt niet mee rondfietsen.
Hij vond het grappig.
Ik ging kruipolie halen en buiten aan een van de picknicktafels spoot ik de olie in het slot en in de gaten waar de beugel in zit. Langzaam kreeg ik de sleutel verder. Er kwam veel vuil uit. Het slot ging open. De gaten van de beugel waren vies.
Thuis verder schoonmaken, zei ik.
Ja papa.
Toen we weer thuis waren mocht ze niet eerst op haar telefoon kijken of op de bank hangen. Eerst moest ze aan de slag met babydoekjes. Dat deed ze.
Volgens mij was ze wel verbaasd over de doekjes, dat die zo rood en bruin werden. Het gaf haar ook wel een goed gevoel, want toen ze klaar was en het slot weer werkte wist ze in ieder geval waarom ze dat ding de hele stad door zeulde.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen