In deze tijd van thuisblijven, zorgen, het volgen van het laatste nieuws met de cijfers om precies twee uur ‘s middags, op een rare manier boodschappen doen, erg veel bij elkaar zitten, risk van zolder halen en glansrijk winnen door vierentwintig landen veroveren met mijn zwarte legers, nieuwe communicatievormen die soms goed werken en soms niet goed uitkomen, een online borrel als vervanging voor de gesloten kroeg, nieuwe plannen die ook met horeca en online te maken hebben, het uitstellen van workshops, het missen van flink wat inkomsten, het vreselijke gemis van twee keer in de week bij een voetbalclub je vrienden zien en wat rommelen bij een kampioensteam dat nu wacht hoe we dit kampioenschap werkelijk binnen gaan slepen, in die tijd vond ik nog wat tijd om aan een nieuw boek te beginnen.
Ik heb een thriller van vierenvijftigduizend woorden bij de uitgeverij liggen. Verschijnt net na de zomer. Ik stuurde een forse en persoonlijke roman van vijfenzeventigduizend woorden naar Zeeland om dat de uitgevers van mijn romans daar verbleven. Die roman is voor volgend jaar, dus nog voldoende tijd om aan de tekst te sleutelen. En ik heb al gewerkt aan een non-fictieboek over mijn geliefde onderwerp Carnaval in de steigers staan, inmiddels ook al drieënvijftigduizend woorden. Het eerste boek krijgt nog een redactieronde, dat wordt schaven aan details. Het tweede boek krijgt nu een eerste lezer, en dat is altijd het spannendste. Dat Carnavalsboek zal nog groeien en groeien en daarvoor zoek ik nog verhalen, anekdotes, beeldmateriaal, maar daar wacht ik nu even mee.
Driemaal wachten, en omdat ik niet goed ben in wachten besloot ik aan een nieuw verhaal te beginnen dat laatst opborrelde uit iets wat ik met mijn zoontje op straat meemaakte. Ik heb een jongetje, ik heb zijn vader, ik weet waar ze wonen, ik weet dat ze gaan doen, er is iets met het ventje, er is iets met de vader, en ik koos een vertelperspectief, erg afstandelijk en beschrijvend in een ouderwetse derde persoon verleden tijd, en ik maakte scènes.
Dat zijn nu acht stukjes tekst, simpele opeenvolgende gebeurtenissen, oorzaak en gevolg. Schrijven maar. Die eerste scène was onwennig, onzeker, vreemd. Daar deed ik het langst over. Maar toen die scène eenmaal stond en de personages al iets groter waren dan het allereerste idee, schreef ik de volgende scène sneller en die daarna nog wat sneller, en zojuist heb ik dat achtste stukje getikt, ook weet een bladzijde of twee tot drie, en inmiddels weet ik precies hoe die vader handelt, wat het zoontje doet en wat hen bezighoudt, en die voorspelbaarheid van karakters gooit het tempo omhoog.
Er staan in een vloek en een zucht nu opeens vijfduizend woorden. Dat is precies de grens tussen een kort verhaal dat al lang afgelopen was en een groter stuk proza. Een kort verhaal is meer in elkaar gedrukt, mist alle overbodige details, is niet uitgesmeerd, heeft een ander tempo. Deze acht hoofdstukjes vragen om nog meer hoofdstukjes. Er blijft steeds net voldoende over om de dag die in het verhaal volgt te gaan vertellen. De personages hebben steeds net weer iets anders te doen of te overdenken. hun levens worden groter. Er komen nog een heleboel hoofdstukjes. Die ga ik allemaal maken. Stop ik in een mapje bij ‘boeken’. Voor later.

«

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen