Op een zaterdagavond bij de voetbalclub, een tijdje geleden, kreeg een vriend van me een appje van zijn broer die met zijn rugbyteam op de Wallen in een bar zat. Of we ook kwamen. Goed, appte Harry terug. De avond bij de voetbalclub liep al vroeg af en bovendien hadden we wel zin in een keer iets anders.

Dus fietsten we naar het einde van de Warmoesstraat waar op de hoek van de Nieuwbrugsteeg Bar Internationaal ligt, een bruine kroeg. Broer Patrick zat aan de bar, met zeker veertien reuzen van AAC. Harry stapte naar binnen en zei: ‘Goeieavond, wij zijn van de voetbal en we komen jullie er even vanaf tikken.’

De rugbyreuzen lieten zich dat niet twee keer zeggen. Lachend werden we welkom geheten. Het bier dat we achterliepen werd voor ons op tafel gezet. Dat dronken we op en direct bestelden we een nieuw rondje, aangevuld met onze specialiteit: schnapps.

Iedereen kreeg een biertje en een shotje dat we gauw wegwerkten om full speed een nieuw rondje te bestellen. Het tempo werd opgevoerd, versnelling na versnelling.

De rugbyers bleken allerlei codes te hebben. Je mag alleen met rechts drinken. Een biertje mag alleen een viltje van de rand van de tafel of bar neergezet worden. Proosten moet zus en zo. En wij kwamen alleen maar drinken, geen flauwekul.

De rugbyers waren wel sportief. Je hoort daar vaak mensen over. Voetballers schreeuwen tegen de scheidsrechter, rugbyers geven de beste man een handje, ook na een ongunstige beslissing. In Bar Internationaal was geen scheidsrechter, en wij schreeuwden niet, wel werd het voor de rugbyers een ongunstig avondje.

In de vijfde versnelling bestelden we bier en schnapps, dit keer een kleurloos goedje wat voor de meeste scrumboys niet goed thuis te brengen was. ‘Vuurwater,’ zeiden we. Het werd weggewerkt. Na dat eerste uur eerstedivisiedrinken schakelden we over op eredivisiedrinken. Dubbel bier en dubbele schnapps, zodat het vrijwel onmogelijk was alleen met rechts te drinken zonder dat de bar vol raakte. Na een kwartiertje stonden er al flink wat glazen te wachten om geleegd te worden.

Het uitdagen en de gesprekken gingen door, dat gaf afleiding. Bij het verplaatsen naar een andere kroeg probeerde een van de steviger jongens van AAC Harry te tackelen. Nu is Harry aannemer en erg sterk, bovendien goed thuis in allerlei grepen en worpen. Voor de rugbyer met zijn ogen kon knipperen lag hij op zijn rug midden op de Zeedijk.

Hij keek omhoog en zei: ‘Jij mag maandag meetrainen.’

In de derde kroeg waren er naast broer Patrick nog drie rugbyers in leven. De rest was vertrokken, verdwaald of in slaap. Een van de laatsten was zijn al fiets aan het zoeken. Tegenover de Aep zat er nog een op een trappetje, met oogjes die bijna dichtvielen.

‘Nu is het wel tijd om te gaan beginnen,’ zei ik. ‘Op naar de volgende kroeg.’ De gangbare route vanaf de Aep naar Casablanca en San Fran kon ingezet worden. Harry stond al buiten, die wist de weg.

Ik geloof dat alleen Patrick nog in staat was om mee te gaan. De volgende dag hoorden we van de sportieve jongens van AAC dat het een gezellige avond was geweest, met de jongens van de voetbal. Tot een volgende keer, die er wijselijk nooit kwam.

*

Verscheen in Legacy.

Jan van Mersbergen