Direct op de eerste bladzijde van De grijzen, het debuut van Vincent Merjenberg, denk ik: J.M. Coetzee. Dat komt door de verteltoon. Honderdvijftig bladzijden verder denk ik: Albert Camus. Dat komt door het decor. Weer wat verder denk ik: Ondaatje. En dat komt door een mysterieus personage.

De afgewogen vertelstijl en toon, het grote mysterieuze verhaal dat persoonlijk verteld wordt, de buitenwijk waar een heleboel lichamen gevonden zijn, ritueel begraven, zo lijkt het, en de reuring die het in de wijk, in de stad, in de rest van het land, en niet te vergeten in de pers, veroorzaakt. Wachten op de barbaren, Michael K., In ongenade, hadden allemaal die zo kenmerkende toon en vertelling: rustige zinnen die een broeiend ongemakkelijk verhaal overbrengen. De grijzen is vanaf de opening kalm en toch spannend, de zinnen hebben lading en het verhaal is daardoor dwingend. En er is een afwisseling in vertelstemmen: een ik-verteller die terugkijkt, een beschouwende oude schrijver, die wordt afgewisseld door een derde persoonsverteller die Lena, een journaliste, volgt. Ik wist al dat Merjenberg een serieuze en goeie schrijver is, van mijn tijd bij de Revisor, waar we hem publiceerden in 2018. Ik ben erg opgetogen dat hij dit doortrekt in een debuutroman, die ook nog eens zeer zorgvuldig is opgezet en netjes is uitgegeven.

Iedere roman en iedere verhaalopzet kent gevaren en valkuilen, het is alleen de vraag hoe de schrijver daarmee om gaat. Als de journaliste in beeld komt wil de schrijver niet dat de lezer het gevoel krijgt: daar komt de speurneus. Dan wordt het Suske en Wiske en het geheim van de gevonden lichamen. Dus Lena moet een personage worden, vanaf het eerste moment dat het over haar gaat. Merjenberg (onze achternamen verschillen slechts één letter) doet dat door secuur te zijn, beschrijvend, kernachtig en toch zijn proza levendig te houden. Allereerst zoomt hij in op de reis, in de bus: ‘Alleen het trillen van de motor en af en toe een steentje tegen de onderkant van de bus onderbraken de stilte.’ Dat steentje, klein en toch betekenisvol en doordringend, is voldoende. Een tik tegen de onderkant van de bus. De meeste lezers lezen hier overheen, maar hier veert de schrijver op. In een bus zitten, de brommende motor, dat is allemaal nog Suske en Wiske, zodra het kleine steentje tikt wordt het literatuur. Daarnaast geeft Merjenberg Lena een vader, ook journalist, die met haar meereist, in gedachten. Hij is verdwenen, heel slim, want dat kan hij er altijd zijn, maar altijd bij haar. Vreemd, want iedereen heeft een vader, behalve figuren als Suske en Wiske. Op die manier wordt Lena een volwaardig personage, al in het eerste hoofdstukje.

Trouwens, ik had het zojuist over ‘netjes uitgegeven.’ Daarmee bedoel ik: het boek ziet er piekfijn uit, kleur en beeld op het omslag zijn mooi en de letter leest goed, de tekst is wel erg ruim opgezet. Er zijn genummerde delen en hoofdstukjes met titels, en steeds wordt daar een aparte linkerpagina voor genomen, met soms daarvoor ook nog een lege rechterpagina. in totaal bijna 40 pagina’s zonder tekst. Daarbij begint ieder afzonderlijke hoofdstukje begint ook nog eens op de dertiende regel, van de negenentwintig regels die er op een pagina passen. Het boek telt honderd hoofdstukjes, dus dat zijn zeker 50 lege pagina’s. Daarbij ook nog naar schatting zeker nog 30 lege pagina’s die de witte blokken onderaan de hoofdstukjes maken. Op 332 pagina’s proza is 120 witte pagina’s wat veel. Daar kan Merjenberg niks aan doen, ik verdenk uitgevers ervan boeken, zeker debuten, die ongeveer 200 pagina’s beslaan, op te pompen naar dikke pillen. Ik weet dat een rustige bladspiegel lekker leest, hier irriteer ik me aan het bladeren door al dat wit.

Met de stad die beschreven wordt is iets vreemd aan de hand. Mystiek. Stoffig. Lichamen in de grond. Een oorlog, machthebbers. Dat bracht me bij het Oran van Camus: ongrijpbaar, diffuus, stoffig, en toch helder beschreven. Als de journaliste in de stad aankomt waar de lichamen gevonden zijn staat er plots: ‘Te midden van een gezin liep een meisje dat als enige schoenen droeg…’ Dat is een beeld dat blijft hangen, omdat het groter is dan dat ene paar schoenen. Het gaat om de anderen die niet beschreven worden. Die schoenen vertellen me in een goed beeld dat er in die grensstad iets aan de hand is. Verder wordt in dat korte hoofdstukje verteld dat ‘de situatie de stad een uniek karakter gaf’ en dat ‘de stad een plek werd om te verdwijnen,’ en dat zegt me niet zo veel. Dat lijkt op een verwrongen vakantiebrochure. Ook wordt een aantal keer het kenmerkende ‘men’ gebruikt. Dat is erg algemeen. Ik wil personages volgen, en leren kennen. De mening van men schetst wel een beeld, maar dat blijft algemeen. De journaliste, dat ene meisje dat wel schoenen droeg en haar vader maken de stad persoonlijk en invoelbaar, zonder dat ik precies weet wat er gaande is.

Helder proza, soms in een algemene verteltrant, en toch steeds net op tijd een personage naar voren schuiven, een collega-journalist een stem geven, dat doet Merjenberg. Het is ook een spel tussen ratio en gevoel, tussen groot en klein. Als er staat: ‘Haar collega’s reageerden licht geamuseerd op haar verbijstering,’ dan weet ik wat haar reactie was en wordt ik op rationeel niveau bediend. Als de hoofdredacteur van de krant waar Lena is gaan werken even daarna eenzelfde betoog houdt maar ook vraagt: ‘Zullen we nog ergens anders wat gaan drinken?’ dan voel ik dat er meer gaande is. Persoonlijker. Scène en vertelling wisselen elkaar af, zodat de lezer info krijgt, maar toch vaak verpakt in een film. Allemaal technische kanten van het schrijven, waarbij dosering het belangrijkste is. Slaat de wijzer teveel uit naar één kant, dan mist de lezer de andere kant. Merjenberg zoekt soms net teveel het algemene. Dan ‘waren er veel artikel die geschreven moesten worden’ of vertelt hij over ‘het jammeren dat iedere avond werd aangeheven’ en dan wil ik misschien liever Lena juist dat ene artikel zien schrijven of die ene jammertoon horen, zodat de roman net iets meer een persoonlijk verhaal wordt.

Lange dialoogzinnen zijn moeilijk in proza, maakt niet uit welke verteller ze opvoert. Als een ik-verteller een knots van een volzin van een ander personage letterlijk herhaalt, dan verdwijnt die ik-verteller en neemt de stem van dat andere personage de vertelling over. Bij een derde persoon kan dat ook gebeuren, ook al is de verteller in feite een onzichtbare schrijver. Als ik schrijfworkshops geeft komt dit altijd terug, en vaak is de oplossing: aankondigen. Merjenberg begrijpt dit en voert ergens na een bladzijde of 50 een krantenverkoper op die een regel of zes aan het woord is, opeens. Het is geen dialoog, De journaliste, waar tegen gesproken wordt, zegt niks terug. ‘Iedereen is alleen hier, alleen als in een gevangenis…’ Er volgt een heel betoog, maar wat wel daarvoor al beschreven is: de manier waarop de oude krantenverkoper ‘klampte zich aan haar vast alsof ze zijn kleindochter was die niet vaak genoeg op bezoek kwam.’ Dus de lange zin die hij zegt is heel soepel geïntroduceerd en bevestigt dat beeld. De lezer gaat erin mee, want die verwacht al zoiets: opa gaat praten, net te lang. Dus alles klopt.

Die twee vertelstemmen werken goed samen. Het verhaal van Lena wordt getoond, de oude man vertelt zelf. ‘Niemand wil nog achteromkijken,’ zegt hij, en hij komt niet veel meer buiten, maar natuurlijk weet de lezer: hij gaat zeker terugkijken. Hij gaat de analyse geven, terwijl Lena in het nu gaat ontdekken wat er in die vreemde stad gaande is. In zijn sterke roman (zijn beste roman) over Michael K. voert J.M. Coetzee in het derde en laatste hoofdstuk een ander perspectief op. Opeens geeft een ziekenbroeder zijn visie op de jongen die zijn moeder als in een moderne As I Lay Dying op een kar door het land trok, naar haar laatste rustplaats. Faulkner, getransformeerd naar Zuid-Afrika. Sterk en klassiek gedaan, vol recht aan het voorbeeld, maar wel met een dissonante laatste verteller die boven Michael K. lijkt te staan. Merjenberg laat de twee vertellers niet op verschillende traptreden staan. De oude man lijkt persoonlijker, want hij vertelt zelf, maar de derde persoon kruipt voldoende in Lena’s hoofd om haar leven en gedachten body te geven.

Dan is er nog een manuscript, geschreven door ene Onalov, een verdwenen schrijver: De oversteek. Langzaam begint het idee te dagen dat of iedereen verdwenen is – de vader van Lena, de oude man, journalisten, en dus ook deze schrijver, of dat er een onderling verband is. En dat bracht me bij The English Patient van Michael Ondaatje, waarin een oorlog in de woestijn mensen uit elkaar drijft en bij elkaar drijft, waarna ze op zoek gaan naar wie ze zijn. De verdwenen personages van Merjenberg hebben eenzelfde rol. Ze zijn er wel, ze zijn alleen constant op zoek. Dat zoeken naar wat er achter de mysteriën van de stad zit en de dode grijze mensen, en de persoonlijke verbanden, brengt een thrillerelement dat nergens de spanning opfokt, maar wel helpt om het verhaal stuwend te krijgen. In het tweede deel stopt die stuwing, want ik lees opeens over Jona, een jongen, ook met een verdwenen vader. Daar hapert mijn lezen, want ik volg wel waar die jongen vandaan komt en dat zijn moeder ook nog vertrekt, iedereen vertrekt, ik wil eerlijk gezegd gewoon die twee personages volgen die nog volop in opbouw zijn. In de vertelling over Jona mis ik Lena en de oude man. Dat duurt tot een waterval gaat praten en het mysterie het proza weer overneemt. Later, in deel 4 of 5 komt alles bij elkaar en wordt duidelijk wie Havas was, die de oude man lang geleden leerde kennen en die in het manuscript voorkomt. Dat is de nieuwe Engelse patiënt. Havas heeft een verteller nodig:

‘Ik wil dat je de gebeurtenissen navertelt zoals je ze meemaakt,’ fluisterde hij bijna. ‘Een verhaal van hoop. ik wil dat je uitlegt wat het verschil is tussen hoop en een toekomst en dat het dat is wat ik te bieden heb. Dat, en niets anders: geen toekomst, maar hoop.’

Dit is een debuut, zei ik herhaaldelijk tegen mezelf tijdens het lezen. Dat is ongelofelijk. Nederlandse literatuur wordt vaak verweten navelstaarderig te zijn, in zichzelf gekeerd, dwepend met de eigen ellende, de oorlog weer eens onder de loep nemen, de slechte jeugd. De grijzen is groot en klein, wereld en invoelbaar. Het algemene en brede van de vertelling staat me soms tegen, maar dat is tegelijk precies de kracht. De grijzen is niet alleen een debuut, het is een volwassen roman.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen