Zelfs planten in potjes kunnen verdrinken. Een motor kan verzopen worden. Je moet oppassen met vocht. Het zet je lever aan het werk. Er is vocht dat twee kanten op werkt. Naast die borrelende lever schakelt het een deel van je hoofd uit. Het stukje waar het evenwichtsorgaan huist, ergens onderin bij je nek. En het stukje dat doorgaans de redelijkheid, maar ook de remmingen bewaakt. De vrolijkheid wordt niet weggespoeld maar beukt juist op de kust, herhaaldelijk. Vocht zoekt het laagste punt, zweet is het laagste punt. Vraag het de rivieren. Vraag het de zee die zo diep is dat de hoogste berg er omgekeerd in past. Wij bouwen dammen, we bouwen afvoer. Een lichaam zonder regenpijp stroomt over als een plat dak met afgewaaid blad voor het rooster. Afwatering. Afdrijven. Wegzinken. Zakt het vocht uit je hoofd dan wordt het beschermlaagje tussen hersenen en schedel dunner en dunner, tot je schedel drukt en drukt. Hoofdpijn heet dat. Aanvullen. Verstandig zijn. In de schaduw zitten en wat drinken. Het is een cyclus. De mens bestaat voor tachtig procent uit vocht. Soms voor éénentachtig. Die momenten zijn kleine dammetjes in de cyclus. Een overstroming van tijdelijke aard waar geen loodgieter aan te pas hoeft te komen. Het leren kennen van je lichaam is jezelf zien als een aquarium waar plots golfslag in komt en je moet de uitknop zoeken. Je wilt die knop niet zoeken. Anders vind je jezelf nooit. Dobberend op de zee waar je eindelijk deel van uitmaakt.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen