De rokers op het bankje voor het Anthoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis zijn waaghalzen. Op die plek je longen asfalteren. Dapper. Met die ramen van het gebouw als ogen in je nek.
Op weg naar de stad kwam ik veel waaghalzen tegen, ook na dat bankje.
De man die iets verderop het rode licht negeerde en de Johan Huizingalaan overstak, op de fiets in zijn korte broek tussen de auto’s door, was bijna net zo’n waaghals als de man die een stukje verder na het Hoofddorpplein hetzelfde deed, op een nog drukker en ingewikkelder kruispunt, en de man die op de Ceintuurbaan deze actie herhaalde was helemaal een waaghals want er reden twee taxi’s over de trambaan en die kruisten elkaar precies toen de man in het midden was en ook nog tram 3 eraan kwam.
De vrouw met de hoofddoek stak over zonder te kijken. Niet naar het stoplicht, niet naar het andere verkeer. Ik begreep: ze legt haar leven in handen van haar geloof, want alles is voorbestemd. Een koppige houding, ook een bevrijdende houding, maar wel een waaghalzenhouding waar zeker drie fietsers en een auto op dat moment last van hadden. Ze weken uit, twee sturen raakten elkaar, het ging allemaal maar net goed. De vrouw kwam aan de overkant, het was voorbestemd.
De jongens die met z’n drieën naast elkaar bleven fietsen op het fietspad, ondanks de bel van de vrouw voor me, ondanks mijn bel, dat waren ook waaghalzen. Tenminste, ze voelden zich waaghalzen toen ze stil kwamen te staan op de stoep, naast hun fietsen, een van hen op zijn rug.
Toen ik eindelijk in het ziekenhuis was, een ander ziekenhuis, zei een oude vrouw die met een rollator door de gang schuifelde: ‘Ik kom niet meer vooruit.’
Ze bleef in de gang staan. De uitgang met de draaideur was nog een heel eind. Ze keek die richting uit. Ze ademde rustig. Ze was voor niemand een obstakel. Haar geloof ging niet voor de andere mensen in deze overdekte straat.
Wat moet het heerlijk zijn om geen waaghals meer te hoeven zijn. Gewoon even op adem komen, weten wat je moet doen om toch maar weer vooruit te kunnen komen.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen