Op de dag dat mijn stemkaart in de bus viel kwam eerst het nieuws dat Marieke Lucas Rijneveld het gedicht The Hill We Climb gaat vertalen dat Amanda Gorman voorlas bij de inauguratie van de nieuwe Amerikaanse president. Het werk van Gorman bestaat uit meer dan dat ene gedicht, dit is opeens wel haar bekendste tekst geworden, maar het nieuws ging geen moment over de tekst, zoals we gewend zijn.

Al snel kwam in Nederland er een vervolg op het nieuwsbericht: de vraag of er in plaats van Marieke Lucas (we kennen elkaar) niet beter iemand aangesteld kon worden die net als Gorman zwart is, die spoken word artiest is, die vrouw is, die professioneel vertaler is. Zij zou de tekst van Gorman beter kunnen begrijpen. Marieke Lucas is een beetje te wit.

Diezelfde dag luisterde ik naar een podcast met Bruce Springsteen en Barack Obama. In tegenstelling tot Marieke Lucas en Gorman zijn hier twee oude mannen aan het woord, die ondanks een klein verschil in huidskleur met elkaar in gesprek gaan over tijd, plaats, achtergronden, ras. Die elkaar leren begrijpen.

De twee mannen praten heel rustig en toch intens en vriendschappelijk. Veel mensen zouden het niet verwachten, maar ze delen veel. Dat doen Gorman en Marieke Lucas ook, al worden ze in een discussie over het werk van beiden zo ver als mogelijk uit elkaar gezet, alsof ze de kans niet mogen krijgen elkaar te leren kennen. Dat is vooral de kern van vertalen: je leert elkaar kennen.

Gorman zal haar werk moeten overgeven aan Marieke Lucas en haar Nederlands. Dat vertrouwen is niet gebonden aan kleur, sterker nog: het is de enige manier om tot elkaar te komen. Eventuele verkeerde interpretaties, dat kan altijd, worden opgepikt door meelezers zoals een corrector tikfouten uit de tekst haalt. De roep om een zwarte vrouwelijke spoken word artiest om The Hill We Climb te vertalen, wordt ingegeven door één-op-één begrip, zwart begrijpt zwart, veelal door spoken word artiesten die om de drie woorden een Engels woord gebruiken, maar gaat voorbij aan het doel van vertalen: verspreiding.

Ik las ergens dat Gorman opgroeide in Los Angeles, met een spraakgebrek. Toen ze Toni Morrison las wilde ze schrijver worden. De boeken die ik van Toni Morrison las zijn vertaald door Piet Verhagen, Ronald Beek en Nettie Vink. Ik weet niet wat hun huidskleur is, ik weet wel dat zij me het proza van Morrison hebben gebracht in een taal die dichtbij me staat – dank daarvoor. Marieke Lucas heeft een typisch accent, ze groeide op in Nieuwendijk, twee kilometer van waar ik opgroeide. Ze staat dicht bij Wolkers. De werelden van Rijneveld en Gorman lijken heel verschillend: VS-Nederland, stad-platteland, Engels-Nederlands. De opdracht is dus: verenigen. Het verlies en de pijn van Gorman invoelbaar maken voor het leespubliek uit de polders van Wolkers.

De originele versie van The Hill We Climb heeft in Nederland al lang de mensen bereikt die dicht bij poëzie en spoken word staan, die zwart zijn, die in de steden wonen. Zwart, vrouw, spoken word, uit Los Angeles, in het Engels, dat heeft Gorman zelf al gedaan. Daar heeft ze geen vertaalster voor nodig. Marieke Lucas gaat straks de mooie tekst van Gorman naar het Nederlandse platteland brengen, en dat is stug en wit, en daar wordt geen woord Engels gelezen. Mijn moeder gaat straks The Hill We Climb lezen.

Dus mijn tegenvraag is: Welke zwarte vrouwelijke spoken word vertaalster gaat dat voor elkaar krijgen?

Bruce Springsteen zegt in de podcast, als het over racisme gaat: ‘Waarom is het zo moeilijk om over ras te praten?’ En na een stilte: ‘Waarom pauzeer ik hier?’

Barack Obama lacht, maar zegt niets.

Bruce Springsteen gaat verder: ‘Als je over ras praat, dan moet je praten je over verschillen. Als je over ras praat dan moet je tot op zeker hoogte de mythe van de smeltkroes neerhalen, die nooit fundamenteel echt is geweest. Het is toegeven dat een groot deel van onze geschiedenis gewelddadig is geweest naar mensen van kleur. We schamen ons, we schamen ons voor onze collectieve schuld.’

Voor het gemak heb ik deze zinnetjes vertaald. Niks nieuws voor Springsteen, die al vijfenveertig jaar liedjes over deze kwestie zingt. Obama oordeelt niet, hij luistert. Voor de een is het moeilijk hierover te praten, en dat kan alleen als de ander geduldig luistert. De pauze die Springsteen nodig heeft wordt niet ingevuld door zijn gesprekspartner. Daarom komt hij uit bij woorden die zijn schaamte vatten. Een schaamte die door die woorden door luisteraars gevoeld kan worden.

When day comes we ask ourselves,

where can we find light in this never-ending shade?

The loss we carry, a sea we must wade.

Dat zijn de eerste regels van Gormans gedicht. Ik denk aan de buurdorpjes waar Marieke Lucas en ik opgroeiden, aan de stem van de dominee, aan het stromende water dat dichtbij was, aan mijn oom op de boerderij, aan het verlies dat Marieke Lucas kent, ik denk aan Hugo Claus die Dylan Thomas voor mij behapbaar maakte – dank nog daarvoor.

Als de dag aanbreekt vragen we ons af

waar we licht kunnen vinden op onze voor altijd schaduwrijke paden.

Het verlies dat we dragen, de rivier die we moeten doorwaden.

Waarom pauzeer ik hier?

In de eerste plaats omdat ik me afvraag wat Marieke Lucas op die rijm gaat vinden. Daarnaast moet ik denken aan Sting die The rising zong, een van de meest urgente Springsteen-liedjes, geschreven vlak na 9-11. Springsteen heeft net een medaille gekregen, uit handen van Obama, die toen net president was, en samen luisterden ze naar Sting, die zingt over de wederopstanding, over Mary in de tuin, over kinderen, over de lucht die zwart was, de lucht die pijn kende, de lucht die genade bood, die tranen huilde, ondersteund door een geweldig koor dat overwegend zwart is en waarvan niemand – dat zie je aan hun gezichten – zich afvraagt of ze wel een liedje van die ouwe witte Springsteen moeten zingen en ook niet of Sting niet een beetje te wit is om voor hun president te zingen.

Ze zongen samen en Barack Obama was de eerste die de staande ovatie inzette.

*

Aanvulling, 27 februari:

In een paar dagen kan veel veranderen. In ieder geval gaat Marieke Lucas het gedicht van haar Amerikaanse collega Gorman niet vertalen.

Over de ophef die inmiddels al drie volle dagen over het internet raast, is met zekerheid maar één conclusie te trekken: dit gaat het gedicht waar het over gaat geen goed doen. Het is in eerste instantie en op dit moment de vraag of er wel een vertaling komt. Iedere vertaler die gevraagd wordt zal langs de nieuwe meetlat gelegd worden, en wordt er iemand wel geschikt geacht dan zal degene hoe dan ook de tweede keus zijn. En mocht het toch komen tot een vertaling dan zal iedere lezer al bij het zien van het omslag de zure smaak proeven die aan het begin van deze lente verspreid is, want dat blijft nog wel even hangen.

Ik zag het wel voor me, zoals ik hier boven niet helemaal schreef, maar wen suggereerde: zoals Obama en Springsteen samen luisterden naar The rising, een hoopvol lied, zo zag ik Gorman en Marieke Lucas samen bij de boekpresentatie staan, naast elkaar, luisterend naar een ander gedicht van een andere schrijver – want schrijven is luisteren.

Die kansen zijn verkeken. Schrijven is geen luisteren meer. Schrijven is schreeuwen geworden.

De tekst hier boven is op veel manieren te lezen, heb ik gemerkt. Elkaar leren kennen, verenigen, verbinden. Er zijn mensen die op geen enkele manier die poging vertrouwen omdat ze mij als witte mannelijke schrijver van bijna vijftig zien en daar direct aan verbinden dat ik een racistische koloniale dader ben die zijn bek moet houden. Die manier van denken is dominant, en dan gaat het niet alleen om mezelf, hetzelfde stempel krijgt mijn zoontje van vier. Het is pijnlijk om te moeten zeggen, maar een blond jongetje van vier is in de ogen van dit dwingende nietsontziende wantrouwende activisme net zo’n racistische koloniale dader als zijn vader, alleen om zijn kleur en zijn afkomt, en alles wat ik erover zeg kan altijd worden afgedaan als sentimenteel en zielig wit Calimerogedrag, vanzelfsprekend verwoord door een reeks Engelse termen die voorin de mond liggen om het gelijk, dat sowieso aan hun kant is, te verzilveren. Dat gaat allemaal weer gebeuren, weet ik als ik dit schrijf, en alleen al het wapenen tegen die geluiden stemt me verdrietig maar de terugtrekkende beweging geeft ook richting want ik hoor mijn zoontje beneden in de kamer en zal ieder oordeel en iedere verwensing waarvan ik met zekerheid weet dat ze gaan komen, vertalen naar hem. Die kleine eenvoud is de oplossing.

De voorspelbaarheid van de discussie, die toon, die oordelen en die patronen is waar we inmiddels mee te maken hebben. Het leidt op geen enkele manier tot elkaar leren kennen, verenigen, verbinden, want ieder gesprek wordt moreel gekaapt. Het leidt er alleen toe dat schrijvers, uitgevers en publiek gesprekken uit de weg gaan, voor veiligheid kiezen.

De voorspelling die ik hierboven deed was: ‘Mijn moeder gaat straks The Hill We Climb lezen.’ De vraag is of de ophef die voorspelling beïnvloedt. Natuurlijk ligt het voor de hand om te knikken en ja te zeggen, zachtjes, maar dan ga ik voorbij aan het gedicht van Gorman en aan de wens om dat gedicht te delen, en aan hetgeen schrijvers kunnen doen. Mijn moeder zal dat gedicht lezen. Ik zal het voor haar vertalen. Ik zal het haar geven. Alleen aan haar.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen