Ooit vergeleek ik schrijven met het leggen van een straatje. Deze zomer ben ik in de achtertuin bezig met een terras tegen de schuur aan en een tweede paadje daarnaartoe. Het is inderdaad net schrijven: hoe meer je dit doet, hoe vlotter het gaat, hoe beter het resultaat.
Gisteren heb ik de laatste rij opstootbandjes voor dat tweede paadje gesteld. Ik had een waterpas, twee latjes waarvan een precies de breedte tussen de bandjes en de ander iets langer om bovenop de bandjes te kunnen leggen voor het waterpas, ik had een rubberen hamer die bijna niet nodig is als je goed graaft, en ik had een grote schop en een klein schepje. In een halfuurtje lag alles erin, waterpas en recht en precies op maat. Het graven was meer werk. Het uitpuzzelen was meer werk.
Als ik met een verhaal bezig ben is het in eerste instantie zoeken naar wie het vertelt, in welke tijd het speelt, wat de gang is die de personages en de lezer gaan doormaken. De rest blijkt wel: decor, sfeer, toon, lengte van zinnen. Heb ik eenmaal die beginselen dan is het leggen van de steentjes daarna echt een kwestie van strak tegen elkaar aan tikken, en zand eroverheen, en vegen.
Dat laatste vergeten sommige schrijvers wel eens, maar een straatje is pas stevig als er zand tussen de steentjes geveegd is. Wachten op de regen is eigenlijk het beste. De regen brengt veel beter zand tussen de naden dan een bezem. Maar haastig een emmer pakken en die uitgieten over het kersverse straatje helpt niet. Dat gaat te hard, dat spoelt meer weg dan het opvult.
Wachten op de regen, dat doe ik nu met drie verhalen. De thriller wordt waterpas gezet en voor de roman ben ik nog aan het graven. Waarschijnlijk moet er diep gegraven worden.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen