Ik verzamel thrillers die beginnen met iemand die wakker wordt. Het is een speciaal genre. Het wakker worden wordt vaak direct gevolgd door allerlei ellende, pijn en duisternis in een kort eerste hoofdstukje, waarna in een tweede hoofdstuk alles normaal is maar de lezer weet: alles gaat dus leiden tot die ellende, pijn en duisternis of we gaan uitzoeken hoe het allemaal zo gekomen is. Vaak begint dat tweede hoofdstuk met een tijdsaanduiding: ‘Zes weken eerder’ of ‘Twintig jaar later’.
Bijna standaard komt er in zo’n openingsscène iemand bij of ontwaakt iemand uit een vreemde slaap, waarna langzaam het besef komt waar het personage is. Wakker worden, zoeken, speuren, spanning. Daarom noem ik die boeken wakker-worden-thrillers.
Wakker worden!

Christian White begint De vrouw en de weduwe met: ‘John schrok wakker en dacht: er is iemand in huis.’
Dit is meest elementaire vorm: iemand slaapt, wordt wakker, schrikt zelfs wakker, én er is een spannende gedachte: een indringer. We gaan beginnen!

Als je een thriller De vrouw in de kooi noemt, zoals Jussi Adler-Olsen deed, dan kun je een begin verwachten met een vrouw in paniek, in een ruimte waar ze niet uit kan. Dat is een andere belangrijke vorm. De vrouw is wakker, maar lijkt toch ergens een besef te moeten krijgen. Daar gaat het om. De eerste zin: ‘Ze krabde haar vingertoppen tot bloedens toe open op de gladde wanden en sloeg met haar vuisten tegen de dikke ruiten tot ze haar handen niet meer voelde.’
Duidelijk: in deze proloog zien we een opgesloten vrouw, en we gaan erachter komen hoe ze daar beland is.
Verderop in de proloog staat: ‘Ze staarde blind naar het plafond.’ Iets meer rust, ze geefthet bijna op. En weer iets verder: ‘Ze lag heel lang muisstil,’ alsof ze toch bijna gaat slapen om daarna weer wakker te worden. Om de proloog af te sluiten met: ‘Op een dag zou het haar lukken te ontsnappen.’
Dat is een mooi vooruitzicht. Ga nu even een dutje doen. Het tweede deel opent met: 2007. De gewenste andere tijd. Lezen maar!

Linda Jansma begint haar In eigen hand met een vredig eerste ontwaken, waarna het al snel…:
‘Ze werd wakker van het zonlicht op haar gezicht. Dat was vreemd; meestal trok ze ’s avonds de dikke gordijnen voor haar slaapkamerraam dicht, zodat het felle schijnsel van de lantaarnpaal voor haar deur volledig werd buitengesloten. Loom draaide ze haar hoofd op het kussen opzij. En schrok van het gezicht dat vlakbij dat van haar lag. Sterker nog, het lag met de kin op haar schouder en nu pas voelde ze de warme ademhaling over haar blote arm strijken.’

In het eerste, cursief gedrukte stukje van Marion Pauws Grijs gebied wordt ook direct een raam getoond, met de lucht: ‘Vanuit een raam ergens in het midden, op tweehoog, vulde de lucht zich met kleur. Groene, gele, paarse en blauwe vlekjes die samen een bonte mengeling vormden. Het duurde even voordat Albert door had wat hij zag.’
Dat besef is kenmerkend. De proloog wordt afgesloten met ‘besefte hij dat hij al die tijd was vergeten te ademen.’
Een dubbel besef. Waar hij is, of hij ademde. Wakker worden is soms ook: iets beseffen.

Bij Jansma is het alleen nog schrik, van iemand naast de verteller, bij Pauw een vernieuwd besef, Nooit meer alleen van Angelique Haak begint met echte ouderwetse pijnscheut: ‘Pijn. Een enorme pijnscheut flitste achter mijn ogen. De ruimte om me heen was nagenoeg donker en ik besefte dat ik lag. Op iets hards. De vloer?’
Die pijn is uit een ver verleden, want er staat een datum boven, en in het tweede hoofdstuk zijn we in onze eigen tijd. Langzaam zullen we dus gaan zien wat er destijds gebeurd is, maar de lezer weet vanaf de eerste bladzijde: deze verteller heeft iets vreselijks meegemaakt. Wel vreemd dat ze in de verleden tijd vertelt, want daaruit kan ik afleiden dat het personage het na kan vertellen, maar die redenering gaat soms voor thrillers niet op. Soms is gewoon de verleden tijd gebruikt, zonder daarover na te denken, of misschien omdat die eerste gebeurtenis in het verleden lag.

In wakker-worden-thrillers hoeft niet altijd de verteller zelf wakker te worden. Een ander personage is ook prima. Sofie Sarenbrant begint haar thriller Berouw met: ‘Ze ligt volkomen stil onder de bedhemel. In het licht van het rode nachtlampje zie ik haar gesloten ogen en een gezicht dat harmonie uitstraalt.’
Dat zouden dus twee gezichten kunnen zijn, maar dat blijkt niet het geval. Sarenbrant gaat in de volgende alinea verder: ‘Eigenlijk zou ik haar niet moeten storen nu ze zo vredig slaapt, maar ik kan de impuls om naar haar bed te lopen niet bedwingen. Ik sluip ernaartoe en voel de houten planken onder mijn sokken.’
De verteller is al lekker aan het sluipen, en die ander zal straks gauw wakker schrikken. Spannend, zeker als de verteller al op de eerste bladzijde ontdekt: ‘Ze ligt zo stil dat je zou denken dat ze dood is.’

Soms wordt het personage niet meer wakker, maar is er wel de bekende harde ondergrond, zoals in Perfecte resten van Helen Fields: ‘Met een bijna vaderlijke zorgzaamheid drapeerde hij het lichaam op de grond, spreidde de armen en benen wijd zodat de lucht vrij rond haar huid kon circuleren.’
Die is dood, durf ik wel met zekerheid te zeggen. En die grond is koud en hard.

In de nieuwste Nicci French, In hechtenis, begint er in de eerste zin iemand te gillen. ‘Het gegil begon om drie uur ’s nachts.’ Dan weet je direct: iemand moet wel hier wakker van worden.
En dat klopt. ‘Tabitha had nog nooit een mens zo’n geluid horen voortbrengen,’ gaat het thrillerechtpaar verder, om in de volgende alinea aan te komen bij: ‘Ze voelde beweging in het bed boven haar. De andere vrouw moest wakker zijn.’
Daar is ze, wel een ander, maar in ieder geval wordt er iemand wakker.
Een beproeft concept. In hun Frieda Klein-boek De dag van de doden luiden de eerste zinnen: ‘Het was maandagochtend, onbewolkt en warm, te warm voor zo laat in de herfst.’ Om daarna te melden dat Charlotte Beck op het punt stond de enige, echt dramatische gebeurtenis in haar leven mee te maken, en een paar regels verder haar huilbaby te introduceren: ‘Lulu sliep niet ’s nachts. Ze huilde en kruiste, en niets hielp (…) Lulu sliep overdag.’
De ingrediënten zijn wat door elkaar gehusseld, toch is dit een wakker-worden-thriller.

Thrillers moeten lezers wakker schudden, tenminste, vaak is de spanning opgeklopt en over the top, en dus ook wordt er vaak begonnen met een personage dat moet ontwaken.
Soms is het personage al wakker en overheerst direct de paniek en het zoeken naar wat de situatie is.
Noortje Brink laat er in de opening van Lockdown (actuele titel) geen misverstand over bestaan dat haar hoofdpersonage flink in de stress is:
‘Zo snel ze kon liep ze naar de kast. Haar handen voor zich uitgestoken, haar ogen opengesperd, ook al sloeg dat helemaal nergens op. Om haar heen was het zwarter dan de diepste nacht. Er was geen streepje licht te bekennen. Geen lamp, geen maanlicht… (ik sla een stukje over want deze beschrijvingen van licht dat er niet is zijn een beetje een herhaling) Tranen van paniek schoten in haar ogen. Als ze niet op tijd in de kast zat, dan vond hij haar.’
Ze moet in het donker wegkruipen, anders wordt ze vermoord. Het is een hypere staat van wakker zijn, dus eigenlijk het omgekeerde van een wakker-worden-thriller, maar toch is de paniek hetzelfde.

Soms weet je niet precies of de personages slapen, je weet alleen met zekerheid dat ze pijn moeten gaan lijden, zoals in de eerste regels van Tel tot tien, van Karen Rose:
‘Hij staarde met grimmige voldoening naar de vlammen. Het huis brandde. Hij meende hun gegil te horen. Help me. O God, help me. Hij hoopte dat hij hun gegil werkelijk hoorde, dat het niet alleen zijn verbeelding was. Hij hoopte dat ze ondraaglijke pijn leden.’
Gemene verteller, of is het juist een prima wraak? Ik weet het niet, ik veronderstel dat het huis in de fik is gestoken door deze verteller, toen de anderen lagen te slapen.

In Het laatste leven van het thrillerduo Mohlin &Nyström luidt de eerste zin: ‘Hij lag in bed en keek naar het witte plafond.’
Kan nog alle kanten op. De tweede zin biedt een verkleuring, de derde zin een vlek, daarna een spook, het wordt al wat spannender, en dan: ‘John besefte dat hij zich in het grensgebied tussen waken en slapen bevond…’
Wakker worden, John!

Dit heb je verdiend is de dreigende titel van een triller van Carla Kovach, die begint met: ‘Het was een plakkerige nacht geweest; zo plakkerig dat ze meermaals het zweet van haar voorhoofd had moeten vegen.’
Van die voltooid verleden tijd begrijp ik nooit iets, maar wat ik wel weet: dit personage is net wakker geworden, yes!

Natuurlijk zijn duisternis en kou belangrijke gegevens in spannende boeken. Soms opent een boek met een zin waarna je denkt: Ga toch lekker naar huis, ga lekker slapen, dat kan ook. Bo Svernström, een van de talloze Scandinavische thrillerschrijvers (een ö is bijna even exemplarisch in thrillerauteursnamen als het wakker worden in de eerste zin, maar toch een ander genre) in Wie zint op wraak: ‘Het is donker en er waait een koele lentelucht door het park. Ik sta naast een boom, doodstil. Het is bijna middernacht.’ En iets verderop: ‘Even doe ik mijn ogen dicht…’
Dit personage is juist wakker terwijl ze beter lekker onder de wol kan kruipen, maar toch valt dit binnen het genre.

Lieve mama, een klassieker van Esther Verhoef, nog steeds terug te vinden in lijsten met favoriete thrillers, begint met een brief, gericht aan mama, zoals in de titel, en dan: ‘Elke ochtend als ik wakker word, geniet ik van de geur van de lakens, van de najaarszon die door het dakraam snijdt en de geruststellende vogelgeluiden die van buiten komen.’
Eerst voelt de briefschrijver zich goed, ze geniet, maar al gauw is er een stemmetje in haar hoofd dat zegt: ‘Jij mag niet genieten, want je hebt iets verschrikkelijks gedaan.’
Vooralsnog onduidelijk waarom ze een brief schrijft, maar wel is duidelijk: meteen na het ontwaken komt de stress. Het tweede hoofdstuk opent met: ‘Drie weken eerder.’

In een ander klassieker, De eetclub, van thrillerkoningin Saskia Noort, duurt het tot de tweede bladzijde voor er staat: ‘Hij dommelde, schrok wakker, en het drong weer tot hem door hoe de zaken ervoor stonden.’

In Op de vlucht maakt Nora Roberts zich er wel wat makkelijk vanaf: ‘Toen Liam Sullivan op tweeënnegentig jarige leeftijd overleed in zijn slaap…’
Ze schrijft over een slaap, maar die Liam wordt niet meer wakker. Toch past ook deze thriller in dit genre.

De stalker in de nacht is een titel van Robert Bryndza: ‘Het was een broeierige zomernacht, aan het einde van de maand juni. De volledig in het zwart geklede figuur rende door het donker.’
Die figuur is een man, hij gaat naar een huis. Daar ronkt iets, maar dat blijkt een airco te zijn. Geen slapende man. Verder veel figuren en schimmen, en allerlei spanning en gedraaf, toch reken ik deze thriller voor het gemak bij mijn genre, zeker omdat het tweede hoofdstuk begint met klamme en benauwde avondlucht, en omdat in Bryndza’s Het meisje in het ijs in de eerste zin zich al iemand ‘in het maanlicht door een verlaten straat haast.’
Wakker worden kan ook betekenen: heel erg wakker zijn.

Net verschenen bij Ambo Anthos, de tweede spannende thriller van SJ Watson: Flashback. In de opening (Toen) vlucht een meisje, waarvoor is vanzelfsprekend onbekend. Een man pikt haar op, vraagt waar de heen moet. ‘Maakt niet uit. Als ik hier maar weg ben.’
Op zich wel een thriller die begint met heftige paniek in een vlucht, er is nog niemand wakker geworden en het meisje zoekt niet naar redenen en het is ook geen nacht, het is echt alleen die vlucht, en bovendien zeer goed geschreven. Maar dan blijkt er alleen aan de volgorde gesleuteld, want als na een tussengevoegd nieuwsbericht over het meisje het volgende hoofdstuk begint (in het NU) staat er: ‘Ik mag niet in slaap vallen.’
Noteert u maar! Een echte wakker-worden-thriller.

Niet alle thrillers vallen onder dit belangrijke subgenre. De openingszin van de nieuwe Ian Rankin: ‘De auto werd gevonden doordat Ginger jaloers was op zijn vriendje Jimmy. Ze waren die ochtend met z’n vieren in het bos.’
Dat is dus geen wakker-worden-thriller. Ik waardeer Rankin inmiddels zeer, maar voor dit genre is hij is af.

‘We sliepen in wat vroeger de gymzaal was geweest’ is de beginzin van Het verhaal van de dienstmaagd, van Margaret Atwood. Direct in de tweede zin beschrijft ze de vloer: ‘van gevernist hout, met strepen en cirkels erop geschilder’. Het zou zo maar een thriller kunnen zijn.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen