Actuele gebeurtenissen staan zelden los van elkaar. De vraag hoe het ene toch kan gebeuren kan soms een antwoord krijgen als je een andere gebeurtenis bekijkt.

Als de nu al historische bestorming van het Capitool in een tv-programma besproken wordt is de toon van presentator Jort Kelder even gevat, brutaal, eigenwijs en zelfverzekerd als de houding van de mensen die in Washington DC menen door een raam te moeten klimmen. Hij stelt geen vragen, hij roept. Het probleem ligt niet aan de overkant van de oceaan, we leven in dit probleem.

Alles is terug te voeren op een gebrek aan vertrouwen. In het spel tussen politici, media, burgers en aanverwanten is veel veranderd met als grootste boosdoener: wantrouwen.

Als PvdA lijsttrekker Asscher te gast is bij M komt iedere vraag in de basis voort uit wantrouwen. Terwijl Sven Kockelmann Asscher aanstaarde en af en toe een oog dichtkneep als de lijsttrekker iets verdachts zei, vroeg Margriet van der Linden hem direct vanaf het begin van het ‘gesprek’ vier keer of hij eigenlijk wel lijsttrekker mocht zijn, na het debacle van de kindertoeslagaffaire, toen hij bewindsvoerder was. ‘Waarom zit u hier nog?’ Vaste gast Kockelmann voegde er nog aan toe: ‘Hebt u zich op één moment in de spiegel bekeken en gevraagd: Kan ik nog door?’

Asscher zat dertien minuten aan tafel en alle dertien minuten ging het over wantrouwen. Letterlijk.

Van der Linden: ‘Maar eigenlijk is dus de vraag: hoe ga ik het vertrouwen van de kiezer herstellen?’

Het ging over een motie van wantrouwen, en die kon Asscher niet steunen. Hij werd namelijk neergezet als de belichaming van wantrouwen. De boodschap van het gesprek naar de kijker toe was geen kritische journalistiek, het was eenvoudigweg: vertrouw deze man niet.

Als media op deze manier met politici omgaan, hoe moeten die politici niet alleen een verkiezingscampagne gaan voeren, maar hoe moeten ze straks het land gaan besturen? Dat is het enige wat nodig is: een fatsoenlijk bestuur.

Nu kun je een totaal uit de hand gelopen toeslagenaffaire gebruiken als voorbeeld van corrupte politici, hoe uiteindelijk die zaak afloopt mag ook gezien worden als een verworvenheid: dat we een systeem hebben waarin fouten gemaakt worden, maar in tegenstelling tot dictaturen worden die fouten uiteindelijk bekend, aangepakt, en hopelijk bijgeschaafd.

Geert Mak was ook te gast bij M. Hij zei verstandige dingen. Hij noemde de bestorming van het Capitool geen staatsgreep, hij benoemde burgerinitiatieven die er wel nog steeds zijn, maar die amper nog aandacht krijgen. Ik zie die schoonheid ook, in de media moet ik er echter wel naar zoeken.

De bestorming van het Capitool is niet ver weg. Als Nederlandse ministers naar het Binnenhof gaan staan er iedere dag mensen klaar om ze uit te schelden. Ik kan me niet herinneren dat dit tien of twintig jaar geleden gebeurde. Ik kan me niet herinneren dat iemand het, in wat voor politieke crisis dan ook, in zijn hoofd haalde Van Agt of Den Uyl een kinderverkrachter te noemen. En nu staan die mensen dagelijks in Den Haag.

Ze staan voor wantrouwen, net als de mensen die eerst demonstreren tegen de coronamaatregelen, en die daarna met hetzelfde gemak demonstreren tegen het vaccin omdat daar iets in zou zitten dat de mensen moet controleren. Wantrouwen.

De podia die betreden worden zijn openbaar, vaak anoniem, vaak digitaal. Op twitter is het heel normaal om direct vanuit de onderbuik alles te zeggen wat er in je opkomt. Dat doet niet alleen de Amerikaanse president, dat doen zijn kiezers, dat doen journalisten, dat doen burgers. Mondigheid wordt gevierd. Gesprekken zijn vrijwel uitgesloten. Niet mee eens is block.

In het spel tussen politici, media en burgers zijn eilandjes ontstaan waar uitspraken niet meer gecontroleerd worden door journalisten, maar waar journalisten op eigen initiatief uitspraken verdraaien, voor eigen gewin. Roependen op zee.

Het lijkt ver weg, dat president Trump vooral twitter gebruikt om mensen te bereiken, want de media verdraaien zijn uitspraken. Ik kan me de gniffelende toon herinneren van toen hij alleen nog maar presidentskandidaat was, van zijn tegenstanders, de Democraten, maar zeker ook van journalisten. Natuurlijk liet hij zich niet interviewen door diezelfde journalisten, en dan maar hopen dat hij iets zou bereiken. Ergens is dit wantrouwen begonnen, en de niet alleen van één kant.

In Nederland weigert Geert Wilders op te draven bij de Hilversumse media. Volgens mij is hij alleen ooit te gast geweest bij WNL. Een gedegen interview met Geert Wilders in een gangbare zogenaamde kwaliteitskrant – ik heb het nog nooit gezien. En dat ligt niet alleen aan de politicus, wat je ook van hem mag vinden.

Nu staat Wilders ook voor wantrouwen. Als de kindertoeslagambtenaren niet vervolgd worden is hij de eerste om, op twitter natuurlijk, te melden dat ‘het OM geen strafrechtelijk onderzoek doet naar collega-ambtenaren van de Belastingdienst maar er zorgt wel voor dat de leider van de oppositie in de Tweede Kamer tien jaar lang voor de rechter staat.’

Het Openbaar Ministerie heeft als opdracht te bekijken wie er gerechtelijk vervolgd kan worden en wie niet, daar zijn maatstaven voor. In de spiegel waarin Wilders zelf kan zien dat hij wellicht iets strafbaars deed door mensen op te jutten en ze te laten roepen dat een complete bevolkingsgroep best wel wat minder, minder, minder kan, weigert hij te kijken. Hij zendt wantrouwen: in de politiek, in het bestuur, in ambtenaren, in de gerechtelijke macht, in media, in de mensen.

De oppositie is groter dan Wilders, de toon is ook bij de andere partijen vergelijkbaar: betweterig en wantrouwend. Het is de enige manier waarop de huidige media nieuws kunnen maken. Het wordt voor burgers op deze manier moeilijk vertrouwen te vinden.

Waar begon dit? Toen inspraak groter en groter werd en burgers al voor het herindelen van een paar parkeerplaatsen werd gevraagd wat zij ervan vonden? Dat was allemaal prachtig, maar ik volg momenteel een plan voor een veranderende verkeersopzet bij mij in de buurt en de toon in die discussie ademt wantrouwen. Burgers weten beter wat de consequenties zijn dan de plannenmakers, politici zijn defensief, media zoeken de confrontatie, en vooralsnog doet iedereen zijn woordje en staat het onderwerp – verkeer – inmiddels ontzettend ver af van wat verkeer zou kunnen doen: mensen bij elkaar brengen.

Wat ben ik blij dat er een dag voorbij is gegaan zonder deze wantrouwende toon, een dag waarop onderwijs weliswaar thuis gebeurt maar ik wel zie dat iedereen zijn best doet om er iets van te maken, zelfs in groep 1, een dag waarop een factuur die ik verstuurd heb op tijd betaald wordt, een dag waarop ik me in het verkeer begeef en vertrouwen kan op eenvoudige afgesproken regeltjes die meestal niet verder gaan dan rood of groen, zonder de uitwassen die op internet uitvergroot worden, een dag waarop ik in de supermarkt wel merk dat contact moeizamer is maar ik wel kan zien dat onder de mondkapjes soms een glimlach gloort.

Alleen die dagelijkse doodnormale zaken, die allemaal redelijk soepel gaan, kunnen me vertellen dat we best vertrouwen mogen hebben in vertrouwen.

Jan van Mersbergen