Toen Sjaak al een uur over de reling hing begon de boot ook voor ons toch echt hard te schommelen, maar in plaats van buiten te blijven zochten we de kajuit op. Binnen waren de wind en de regen verdwenen, en was de deining natuurlijk wel te voelen, maar als je niet naar de raampjes keek waar af en toe de lucht en dan weer het zeewater te zien was, dan ging het wel. Dan was het alleen een schommel. Kinderen houden dat uren vol, dus waarom wij niet?

We hadden platvis gevangen. Schol. Sjaak had de meeste vis in zijn emmer. Dat wilde hij graag laten weten, dus toen zijn maag niet meer tegen de deining kon was het aan ons om hem te laten weten dat zelfs kleuters een beetje wiegen heerlijk vinden, dat hij zich niet moest aanstellen, dat hij die ochtend geen gebakken ei had moeten eten, met spek, met ketchup.

De schipper was een jongen uit Yerseke. Hij had een mutsje op, een gele broek, laarzen. Hij ging de Westerschelde op vanuit Kruiningen. Die ochtend bij de koffie had hij wel gezegd dat het een beetje kon gaan golven, want de wind trok aan, en het was Sjaak die had gezegd: ‘Dat maakt ons niks uit, we zijn hier nou toch.’ Dus toen Sjaak leeg was en hij tegen de kajuit aan ging zitten en zich goed vasthield aan een beugel, zei Paul: ‘We zijn hier nou toch, het maakt ons niks uit hoor.’ En ik herhaalde: ‘We zijn hier nou toch.’

Dat was voordat we zelf binnen gingen zitten. Ik gooide mijn hengel nog een keer uit. Er zaten drie haken aan, met ongeveer een halve meter aan lijn ertussen. Het was een oude werphengel, en dus wel eentje waar ik mee overweg kan. Nieuwe werphengels zijn te fijn. Alles is licht: de stok, de molen, en vooral de draad. Omdat de draad opgewonden wordt door het molentje zit er altijd een slag in, en als het ook maar een beetje waait komt die supersterke maar ook superlichte draad altijd wel vast te zitten aan een clipje of het molentje. Die hele zooi raakt zo snel in de war.

Die laatste keer dat ik uitgooide zag ik de jongen uit Yerseke door het raampje naar Sjaak kijken. Hij had een pan soep op het fornuis gezet. Alles deinde en schommelde, maar hij ging gewoon een paar blikken soep warm maken. Ik ving niks, die laatste keer. Het tuigje raakte niet in de war, dat was mijn winst die dag. De jongen uit Yerseke tikte tegen het raampje. Ik zei: Sjaak, de soep is warm. Nou we hier toch zijn.

«

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen