Die vrijdag besloten hij en zijn vrienden om de bus te pakken naar Parijs. Vanuit de telefooncel in de kroeg belde iedereen naar huis met de mededeling zondag weer thuis te zijn – zondagnacht. Wie geen schoon ondergoed of een tandenborstel bij zich had ging even langs de Zeeman en de Etos. Iedereen pinde wat geld bij de enige pinautomaat in het centrum van de stad tegenover de schouwburg. De tassen met schoolboeken konden bij Martin op zijn kamer staan, die woonde vlakbij het station van waar de bus om vijf uur vertrok. Het was een reis van een weekend maar zonder overnachting, de eerste overnachting was in de bus want onderweg werden zo veel plaatsen aangedaan waar nog mensen in moesten stappen dat pas tegen zeven uur in de ochtend de Franse hoofdstad bereikt was. De terugweg was de tweede nacht. Die zaterdag gingen ze direct naar het Père-Lachaise om het graf van Jim Morrison te zien en daarna naar de Eiffeltoren die de hele dag verdween in de mist en wat eten aan de voet van de Sacré-Coeur. Hij herinnert zich vooral klimop, kasseien, het haar dat voor zijn ogen hing en zijn bruine leren jas die hij voor tweehonderd gulden kocht op het Waterlooplein en die een paar maanden later na een examenfeest gejat bleek te zijn uit een discotheek die de Maddox heette. De terugreis duurde erg lang. Hij kon niet slapen in de bus. Parijs was groot en ver, zijn dorpje zou er de volgende dag weer zijn, zijn krantenwijk in de polder, dat maakte allemaal niet zo veel uit, wat dat weekend het verschil maakte was dat je op een dag, op een gewone vrijdag na school, de beslissing kon nemen om naar Parijs te gaan, en dan ook te gaan, met een groepje gelijkgestemden. Niemand klaagde, niemand hield een ander tegen, iedereen stond volledig achter het idee dat weekend in Parijs en in een bus door te brengen. In de donkere bus ergens op een Vlaamse snelweg dacht hij: goed onthouden, mensen blijven opzoeken die dit kunnen, en dit nog een keer doen, en nog een keer.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen