Ze zaten al te wachten, vroeg in de ochtend, toen we beneden kwamen: de vogeltjes. In de tuin. Het waren twee merels, hun veertjes helemaal bol om zich tegen de kou te beschermen. Ze wisten dat ik brood in het bakje hoog aan de pergola zou gooien, en wat stukjes brood op de sneeuw eronder. Het mannetje zat onder de picknicktafel, het vrouwtje bij de fietsen die buiten staan, waar nu ook de slee stond.

Die kleine dappere vogeltjes. Ze hadden echt honger. Normaal zijn ze schichtiger, vliegen ze direct weg als ook maar het geluid van de deurklink klinkt. Nu bleven ze wachten toen in de sneeuw met de buitendeur opzij schoof en met mijn stevige laarzen aan naar buiten ging.

Er kwamen die dagen ook eksters brood eten, dat zijn brutale rovers. Koolmeesjes, roodborstjes en een enkele duif. Het waren vooral de merels die ik wat eten wilde geven. Zij hebben tot twee keer toe een nestje in de schutting gemaakt, ergens verborgen onder de klimop.

Ik zocht op waar je vogelnestjes kunt kopen. Dat kan overal, voor tien tot vijftien euro heb je al een lelijk vogelhuisje. Mijn vader maakte zelf die nestjes, van plankjes geperst hout of triplex. Ik zocht ook op waar zo’n nestje moet komen te hangen. Beschut tegen de wind, uit de zon, uit de buurt van het terras, met een open aanvliegroute, waren de tips.

De koolmeesjes waren laatst al een plekje aan het zoeken in de oude pallet die aan de schuur hangt en waar kruidenbakjes in staan. Een vogelnestje kan eigenlijk alleen in de hoek bij de pergola hangen, of op de schuur, maar daar kunnen katten gemakkelijk komen.

Ik ging er maar vanuit dat de merels ergens wel een plekje kunnen vinden. Ik zag ze door de sneeuw rennen, met brood in hun snavel.

Jan van Mersbergen