We keken naar een discussie op tv, mijn dochter en ik. Het ging over racisme. Het ging over institutioneel racisme. De mensen aan tafel waren boos.
Mijn dochter is bijna dertien en nog witter en blonder dan ik. Ze zit in het eerste jaar van het gymnasium.
Ze weet: wat er gebeurd is met die man, met een knie in zijn nek, dat is onbegrijpelijk, vreselijk, kan niet.
Ze weet niet anders dan: mensen zijn gelijk, ongeacht kleur. Bij haar in de klas: alle kleuren. Daar vroeg ik haar naar. Waar komen jouw klasgenootjes vandaan?
Dat wist ze niet. Amsterdam.
Ze noemde een paar namen. Die is volgens mij Indisch. Die is volgens mij Turks. Maar verder wist ze het niet.
Ik zei dat je aan de namen wel kunt zien waar hun roots liggen, maar daar gaat het niet om. Het gaat om racisme. Is er racisme onder jouw klasgenootjes, onder kinderen van twaalf of dertien?
Ze wist het niet.
Is het herkennen van afkomst aan de hand van een achternaam racisme? Of is dat nu eenmaal zo? Is mij dat geleerd? Heeft mijn dochter dat nooit geleerd?
Het niet herkennen van afkomst aan de hand van achternamen, dat vind ik eigenlijk wel mooi. Geen onderscheid maken.
Racisme is iets anders. Racisme is ongelijkheid door kleur of naam.
Bij de toelating, vroeg ik haar, is er toen gekeken naar kleur?
Nee.
En als dat Indische meisje en die Turkse jongen een winkel in gaan, hebben ze dan soms het gevoel dat er op ze gelet wordt? Om hun kleur? Dat is het racisme waar het over gaat. In Nederland.
Dat wist ze niet.
Hebben jullie het daar over, onderling?
Jawel.
Speelt het wel?
Nee, echt niet.
Bij niemand?
Denk het niet.
Jij bent natuurlijk de enige die dat niet voelt.
Ze keek bedenkelijk. Toen schudde ze stellig haar hoofd.
Dat klonk goed. Het is een goeie school. Iedereen mag naar die school. Maar aangehouden worden omdat je verdacht bent door je kleur, het gebeurt. Marokkaanse naam, dan is een stageplek vinden moeilijk. In een fraudedossier belanden bij de belastingdienst. Geweigerd worden bij een discotheek.
Mijn dochter begreep niet dat zoiets gebeurt. Wat moet ze doen?

Ik geloof niet dat ik er verder veel over kan zeggen. Bij alles wat ik erover wil zeggen voel ik direct een weerwoord: ik kan het niet begrijpen, ik kan me er niet in verplaatsen, dit staat zo ver van me af. Alles wat ik zeg is of ontkennen of bagatelliseren, of een kant kiezen of niet willen begrijpen. Zelfs nu ik deze woorden weeg weet ik dat die reacties straks allemaal weer gaan komen. Jij weet er niks van, jij hebt een privilege. Kleur maakt de dader. Kleur maakt me onderdeel van het probleem.
Focus is ook onderdeel van het probleem. ‘Zet jezelf niet centraal,’ was een boodschap op twitter. Iedere schrijver die iets wil zeggen zet zichzelf centraal. Iets zeggen is jezelf centraal zetten, ook midden op de Dam. Ook als je daar voor anderen staat is het laten zien dat je daar staat jezelf centraal zetten.
Ik zat naast mijn dochter en deed het enige wat ik en alle andere ouders kunnen doen: praten met elkaar. Binnen een gezin. Dat zet ik centraal. Wat geef je mee? Hoe ga je om met toegeschoven daderschap en hoe ontwijk je slachtofferschap?
Voor mijn dochter geldt helaas hetzelfde: zij kan racisme niet begrijpen, zij kan zich er niet in verplaatsen, dit staat zo ver van haar af. Ze mag er niks over zeggen.
We keken tv. Een term sprong eruit: white silence.
Ze heeft Engels op school. Ze vertaalde het. Witte stilte. Ik weet niet waarom er in de discussie steeds Engelse termen gebruikt worden, ik zag alleen dat mijn dochter voelde dat haar iets verweten werd. Dat gevoel is precies waar die term over gaat. We zaten er middenin, op de bank, thuis. Ook daar kwam ze niet helemaal uit. Ik vond haar vertwijfeling hoopvol.
White silence wordt ervaren door leden van de witte cultuur tijdens discussies over racisme, zegt een definitie uit 2003: schaamte, schuld, boosheid en ongemak.
Haar kleur kan vertaald worden als een privilege, ook als zij dat zelf niet zo voelt. Praten over gevoel kan ook niet. Racisme is geen gevoel, het zit dieper, het is meer. De onwetendheid van mijn dochter over afkomst en voordelen die kleur bieden, is geen stilte. Als zij er vertrouwen in heeft dat zij dezelfde kansen krijgt, hetzelfde huiswerk moet maken, door dezelfde stad moet fietsen als iedereen in haar omgeving, dan is haar onwetendheid en die van haar klasgenootjes veel waard. Al het andere dat een witte tiener verweten kan worden is gebaseerd op wantrouwen.
Dat is het gevoel. Het onderscheid dat in de discussie gemaakt wordt kaapt de discussie, omdat van een meisje van bijna dertien een medeplichtige wordt gemaakt.
Je moet je uitspreken, anders doe je eraan mee. Anders maak je in stilte onderscheid op kleur en afkomst. tegelijk zal ieder geluid direct gepareerd worden op dezelfde gronden. Jij moet iets zeggen, maar je mag niks zeggen. Ook als je stil bent ben je een dader. En doe niet zielig met je ongemak, jij begon.
Witte stilte is het verwijt iets niet te zien, terwijl je tegelijk het kijken ontzegd wordt.
Hoe doorbreek je dat?
Praten, kijken, vertrouwen, praten, kijken, vertrouwen.

Mijn dochter kijkt heel goed. Daar vertrouw ik op, ik hoop dat anderen haar ook daarop vertrouwen.
Als haar complete schoolklas, samengesteld uit alle lagen van de bevolking, alle kleuren en achtergronden, met stuk voor stuk de ambitie om van die schooltijd iets te gaan maken, het onderwerp racisme amper kent of voelt is er geen sprake van privilege of gunst of onwetendheid, het is winst. Vertrouw op de jeugd. Op een klas met bijna dertig doorsnee kinderen.
Er wordt een discussie gevoerd en vrijwel geen witte mengt zich in de discussie, ik ook niet. Niks zeggen. Ik zal niks zeggen.
Ik zal niks zeggen over verleden, afkomst, rollen, slavernij, pijn, politieoptreden, deurbeleid. Geen algemeenheden, geen specifieke punten. Ik zeg niks over demonstranten, afstand houden, een burgemeester, over een slachtoffer in Amerika en de eindeloze berichtenstroom over hem, de ene suggestie verwerpt de andere. Niet over vernielingen, slogans, aangrijpende verhalen, pingpongen op de opiniepagina’s, zwarte vierkantjes. De discussie op tv.
Ongemak, schuld, schaamte en boosheid kunnen geen kant op, behalve als ik het bij mezelf hou.
Maar over mezelf iets zeggen? Alles wat ik over mezelf zeg is zielig, alles wat ik over mijn zwarte vrienden zeg is borstklopperij. Witte stilte is ingewikkeld. Het is de boosheid en zorgen proberen te begrijpen, steun uitspreken, gebaren overnemen, en ondertussen jezelf blijven en niks kunnen doen. Witte stilte is wensen dat het allemaal in één klap anders is.
Niks zeggen, en toch niet stil zijn.
Wat ik doe: vertellen wat er bij ons thuis speelt, op onze veilige bank in een wit bolwerk, met de wereld op tv. Vertellen dat we thuis het gesprek aangaan. En ik vertrouw erop dat dit gesprek in heel veel huiskamers gevoerd wordt. Niet een gesprek over schuld, ontkenning, medeplichtigheid of goed en fout. Het gaat om kansen en vertrouwen en gelijkschakeling. Het is mijn opdracht mijn kinderen hierin te begeleiden en vertrouwen te geven. Andere ouders doen dat bij hun kinderen, ik heb bij mij thuis die taak.
Ik kan twee dingen doen: het onderscheid dat nu gemaakt wordt aanvaarden en mijn dochter zeggen dat zij een blinde is en dat ze inderdaad een verwend trutje is dat nergens iets vanaf weet omdat ze nu eenmaal een verwend wit trutje is, dat het met haar wel goed komt omdat ze wit is. Of ik kan haar openheid en onwetendheid koesteren omdat ze deze verschillen en problemen werkelijk niet ziet, en haar zeggen dat ze even hard moet werken als alle anderen. De kans die zij krijgt ligt er voor haar en die is niet anders dan de kans die anderen krijgen. Het punt is: zij moet iets met die kans doen. En zij gaat daar iets mee doen, ongeacht anderen. Daar vertrouw ik op.
Ik zei haar dat ik kies voor dat laatste.
Ze werd er een beetje stil van.

Op de Dam klonk afgelopen week: ‘Ontneem ons niet onze dromen terwijl jij de jouwe nastreeft.’ Dat is een belangrijke uitspraak. Die vertelde ik mijn dochter erbij. Iedereen heeft dezelfde kans, in een ideale wereld. Beschouw mijn dochter niet als een meisje dat haar ogen dicht heeft, maar als een product van dat ideaal. Haar dromen ontnemen niemand iets.
Dus ik zei haar: Help waar je kunt zodat iedereen hetzelfde kan nastreven.
Een andere boodschap op de Dam was: Laat zien waar je staat.
Mijn dochter vroeg: Hoe?
Dat maakt niet uit, zei ik. Hier thuis op de bank laat je alles al zien en op school ook. Je hoeft niks te doen.
Ze zei: Omdat jij er zeker weer wat over gaat schrijven?
Als dat voldoende is doe ik dat.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen