De laatste weken heb ik een flink aantal romans van vrouwelijke schrijvers gelezen die me niet mee konden krijgen in de gedachtegang of de constructie. Vaak ontbrak het aan een verhaal of was de setting volledig bedacht, waren gesprekken kapstokken om een maatschappelijke issue in de roman te krijgen. Personages van karton, waar ik in ieder geval niet mee meeleef. Jennifer Johnston, Ierse schrijfster, geboren in 1930, bewijst met Witte zwanen, zwarte zwanen dat er weldegelijk sterke invoelbare zintuiglijke romans zijn, geschreven door een vrouw. Natuurlijk, er zijn voorbeelden genoeg te noemen, die rij in mijn boekenkast is gelukkig erg lang, maar Johnston stond daar een tijdje tussen en had ik nog niet gelezen, en ik vind het echt een ontdekking – tegenwoordig een term die veel voorkomend op boeken.
De roman draagt de originele titel How many miles to Babylon? Dat is een veel sterkere titel dan die beladen zwanen. Ze spelen wel een rol in de roman, maar het gaat toch over twee jongens die de oorlog tegemoet gaan. Jongens van verschillende komaf, vandaar die ene witte en die andere zwarte zwaan, maar het gaat vooral over vriendschap. Over contact.
Schrijven in eenvoudige mooie beeldende zinnen die voldoende ruimte laten voor de lezer, dat doet Johnston. Geen dichtgetimmerde filosofie of eindeloze twijfel. Gewoon een scène. Voorbeelden genoeg, een willekeurig stukje:
‘Het pad waar mijn moeder liep was niet het enige pad bij het meer. In het duister onder de bomen liepen koele, groene paden die naar het dorp in het dal leidden en nog verder, naar het moeras en de heuvels. Hier, als je niet ontdekt werd, moest je per se je schoenen uitdoen, want alleen in de allerdroogste zomer droogden de paden voldoende op om geen zware grijze moddersporen op je schoenen achter te laten. Ik propte mijn sokken altijd in mijn schoenen en zette ze dan netjes onder een struik. Dan waagde ik me onder de lage, met mos begroeide takken, keek eerst nog even een paar keer om of iemand me gezien had en dan liet ik me met veel plezier opnemen in het klamme duister, waarin het gonsde van de vliegen. Er zat een opening bij een wilg waar het pad bestond uit zacht gras en afgleed naar de waterkant. Hier kon ik ongezien zwemmen. Vanwege mijn zogenaamde zwakke gezondheid mocht ik dat niet behalve op de heetste dagen als het hoogzomer was, als het grind op moeders pad zich een weg door de zolen van mijn lichte zomerschoenen brandde.’
Deze ik-verteller neemt mij mee. Hij vertelt over het pad, over zijn moeder, over het zwemmen. over zijn gezondheid, over wat wel en niet mag, maar steeds gekoppeld aan wat hij doet. Waarom vind ik zo’n verteller zo prettig, een jongen die van goede komaf is en het leger in gaat, die vriendschap sluit met een jongen van simpeler komaf, die ook het leger in gaat. Een verteller die soms in dialogen zichzelf helemaal kwijt is en dan vervangen wordt, dat is een minpuntje, door lange derde-persoons stukken, maar die wel zintuiglijk en toch duidelijk vertelt wat hij te vertellen heeft. Geen filosofie, geen gedweep met literatuur, al probeert hij zich soms door Yeats heen te worstelen, geen moeilijke literaire vertelconstructies die alleen maar afbreuk zouden doen aan deze verteller.
Eenvoudig vertellen is erg moeilijk. Een veelheid aan lukrake zaken uit de geschiedenis, filosofie, vertelkunst, natuurwetenschappen en weet ik wat niet voorhanden is gebruiken om een personage wereldwijs te maken heeft Johnston niet nodig. Zij beperkt zich tot twee jongens, twee goed getroffen zwanen. Samen zwemmen ze, die zwanen. Ze gaan het leger in, dat is voldoende dreiging, maar bovenal bedreigt hun afkomst hun vriendschap, daar kan geen oorlog tegenop.
Die vriendschap in twee kleine zinnetjes:
‘Hij stak zijn hand naar me uit en ik greep hem vast. We lagen daar en keken naar de verboden zon totdat hij achter de bomen verdween en de wind ons begon te plagen.’
Een verboden zon brengt dreiging, wederom duisternis waarin verteller Alec zich prettig voelt, aanraking, beweging van de zon, beweging ook in de tijd. Dit is genieten.
Roddy Doyle, zo meldt de flaptekst, noemde Jennifer Johnston de beste Ierse schrijver. Dat is nogal een uitspraak, want het land bracht veel goede schrijvers voort, en een heleboel erg bekende grootheden die vooral naam hebben, meer dan dat ze nog gelezen worden. Doyle heeft gelijk.
Het proza is soms wat vormelijk en ouderwets. Dat is niet gek, Johnston is ruim tien jaar ouder dan mijn ouders. De lezers kijkt daar met gemak doorheen, de taal wint.
‘De zwanen lagen al te wachten. Eentje was met zijn snavel onder een vleugel aan het wroeten. Ze verhieven zich onelegant uit het water en rekten hun lange nekken naar ons uit. De heuvels leken erg dichtbij, erg zichtbaar. Er hing regen in de lucht. De biezen bogen voor haar toen er een zachte bries doorheen ruiste. Het buigen van duizenden, duizenden piekeniers.’

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen