Ik was zo stom geweest zonder boek op vakantie te gaan. Het moet in 2007 of 2008 zijn geweest. Meestal stop ik een goed boek in mijn tas en kom ik de vakantie wel door, maar nu dacht ik: In de trein lees ik die gratis krantjes en op de boot ligt wel een tijdschrift en in dat huisje is vast en zeker een boekenplank en daar staat vast iets tussen. Het is vakantie, dacht ik. Ik lees gewoon een vakantieboek. Ik ga me ontspannen.

Van lezen in de trein kwam niks, dat lieten de kinderen niet toe, het uitzicht vanaf de boot was prima en dus las ik daar ook niks en toen we in het huisje kwamen en de rest van het gezin meteen het strand opzocht bekeek ik de ruggen van de 18 boeken op de plank. Spannende boeken. Thrillers. Liefdesverhalen. Dat moest goed komen. Het was vakantie.

Ik pakte een thriller met een donker omslag en las een stuk. Het was een thriller waarin een schijnbaar gevoelloze vrouw de bladzijden vult. Ze is geheim agent en heroïneverslaafde. Op een moment wordt haar gevraagd hoe lang ze dat spul gebruikt heeft. Ze toont een glimp van trots en zegt: Ik ben taai.

Het was alsof het personage het over zichzelf als personage had.

Ik bladerde door een boek over zuster Jetty met als ondertitel: Een warm hart voor een ieder. Ik las: Zuster Jetty stond in de warme septemberzon de rozen te verzorgen. Met een schaar knipte ze de dode exemplaren eruit en liet deze in een oude mand vallen. Een lange jurk, een grote hoed en je bent een plaatje uit een ouderwets boek, riep Edwin vanuit zijn gemakkelijke stoel. Ze lachte naar hem. De rozen, daar was ze trots op, trouwens de hele tuin was een heerlijk oord.

Ondanks dat de zon door de ramen van ons gezellige vakantiehuisje scheen bood deze passage me weinig ontspanning.

Er stond een boek van Baantjer op de plank. Nummer 65 uit de reeks: De Cock en de dartele weduwe. Goeie titel. Dartel. Al op de eerste bladzijde dook de zon op. Het was vakantie. Ik las: De zonnewarmte deed de oude rechercheur goed. Hij knoopte zijn regenjas wat losser en zag verlangend uit naar de dag dat hij zou worden verlost van het dikke zelfgebreide vest dat zijn vrouw hem dwong te dragen zo lang er nog een R in de maand was.

Het was mei en er was geen R in de maand. Het was mooi weer en het was vakantie en hoe vet Baantjes zijn teksten ook aanzet, mijn onrust werd niet verdreven. Sterker nog, die groeide met de minuut.

In een ander politieboek vond ik de volgende zin: Ondanks zijn alertheid begon de verveling door de eentonige dienst en het vroege uur hem parten te spelen en hij geeuwde meerdere malen.

Dit was een boek waarbij de beleving van de hoofdpersoon volledig synchroon loopt met die van de lezer. Ging dat met mezelf en vakantie ook maar zo makkelijk.

Van de populairste schrijfster van Amerika, aldus het omslag, stond ook een boek op de plank. Achterop het boek stond: Op prachtige wijze weeft de schrijfster heden en verleden tot een roman over liefde en troost. Hier geen zon, maar regen. Dat kan natuurlijk ook. De openingszin luidde: In de neerkletterende regen van de novemberdag deed de taxi van Londen naar Heatrow er een eeuw over.

Oei. Een eeuw in een taxi. Ontspannen, ik moest ontspannen. Hoe moest ik ontspannen?

Het volgende boek dat ik van de plank pakte heette Hartzeer, en bij dit boek, een afgeschreven exemplaar van de bibliotheek in Harlingen, was de flaptekst voldoende: Zijn leven was een puinhoop en rechercheur Harry Bosch wordt gedwongen zichzelf eens recht in de ogen te kijken. Hij schrikt. Zijn vriendin is bij hem weg, hij drinkt weer en zijn nieuwe na een aardbeving onbewoonbaar verklaarde woning staat op instorten. Dat zijn baas hem verbiedt op het bureau te komen vreet nog meest aan hem. Uitroepteken.

Hoe moest ik me ontspannen? Het was zaterdag en de winkels waren al dicht en in de plaatselijke boekwinkel was waarschijnlijk niet veel beters te vinden. De bibliotheek op het eiland was geopend op maandagmiddag van half vier tot half zes. Ik moest wachten. Het waren twee enorm lange dagen tot ik op maandagmiddag half vier als eerste de bibliotheek binnen ging en in een rek een roman van William Faulkner vond die ik al heel vaak gelezen had. As I lay dying, in vertaling. Dat moment, op dit eiland, in die bibliotheek. Het was geweldig.

Ik sloeg het boek open. Ik herkende de namen boven de hoofdstukjes, de verschillende personages die het verhaal vertellen en die stuk voor stuk een authentieke stem hebben. Ik herkende flarden van het verhaal. Een gezin poogt hun overleden moeder met een kar terug naar haar geboorteplaats Jefferson te brengen, waar ze geboren is. Om haar daar te begraven.

Een van de personages is een jongen van tien die niet helemaal goed in zijn hoofd is. Hij heeft een vis gevonden, een dode vis die hij mee naar huis neemt en vlak voor hun huis in het stof laat vallen. De vis zit onder het stof en hij denkt aan zijn moeder die overleden is en hij haalt de dingen door elkaar en op pagina 71 bestaat een hoofdstuk uit een enkele zin.

Mijn moeder is een vis.

Ik las die zin in de bibliotheek en deze triomf van verbeeldingskracht, inlevingsvermogen en eenvoud was mijn eerste moment van ontspanning tijdens deze meivakantie.

 Ik schreef me in, betaalde anderhalve euro, kreeg een pasje en nam het boek mee. Ik las. Ik las. Verderop in Faulkners boek staat een monoloog van de moeder. Zij weet dat woorden en beleving ver uiteen kunnen liggen. dat benoemen geen zin heeft. Ze zegt:

Woorden deugen niet. Woorden zijn zelfs niet geschikt voor wat ze willen zeggen. Toen hij geboren werd wist ik dat moederschap was bedacht door iemand die er een woord voor nodig had, want degene die de kinderen kregen kon het niet schelen of er een woord voor was of niet. Ik wist dat angst was bedacht door iemand die de angst nooit gekend had; trots, wie de trots nooit gekend had.

Woorden deugen niet.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen