Lang geleden, toen ik nog in afdeling Zuid I speelde, in de tweede klasse, moesten we om de week naar Zeeland om daar te gaan voetballen tegen enorme mosselboeren, strandjutters, pieperkwekers en garnalenvissers die op zaterdag een weitje met te hoog gras ingestuurd werden om iedereen die ze voor de voeten liep doormidden te trappen. Slechts twee jaar speelde ik in die klasse, het was voldoende om als voetballer een commandotraining te krijgen, vergeleken met het voetbal in de Randstad.

Dat bleek in Amsterdam, waar mijn medespelers, en meestal ook de tegenstanders, vonden dat ik een nogal harde en fysieke stijl van voetballen op de mat legde. Ik moet toegeven dat ik mijn lichaam en kracht graag gebruik als ik voetbal, in Zeeland was dat simpoelweg pure noodzaak om alleen al binnen de lijnen te kunnen blijven staan. Voetballen in die klasse was een kwestie van je schrap zetten. Er liep altijd wel iemand tegen je aan, of je de bal wel of niet had maakte niet uit. Zelfs als je op de bank zat kreeg je soms een beuk.

Een ander kenmerk van het Zeeuwse voetbal was dat je in de eerste helft altijd de wind tegen had, en in de tweede helft ook. De doortrapte, slimme Zeeuwen hielden daar bij de tos al rekening mee. Zo grijnsden ze in ieder geval. Als de scheidsrechter de Zeeuwse aanvoerder vroeg: Kop of munt? dan bromden ze iets dat leek op alleen de letter K of de ‘unt’. Hij wist in ieder geval al welke kant hij moest kiezen.

Onze beste wedstrijd speelden we in Axel, dat ligt in Zeeuws-Vlaanderen. Die club, AZVV, stond bovenaan en won iedere wedstrijd met groot gemak. Ergens in de winter reden we met de bus via Antwerpen naar dat dorpje. Onze buschauffeur was een gepensioneerde die op zaterdag niks anders te doen had dan met zeventig op de rechterbaan rijden, en als er alleen nog maar smalle provinciale wegen waren haalde hij hooguit de vijftig per uur. Het was honderdveertig kilometer, we deden er ruim twee uur over.

We kwamen aan in Axel, kleedden ons om, deden gauw een warming-up en gingen klaarstaan voor een keihard afdroogpotje, en tot onze verbazing pakte alles die wedstrijd goed uit. We speelden zonder spits, die had van de trainer de opdracht gekregen niet de middellijn over te steken. Iedereen moest terug. Vijf verdedigers, vier middenvelders en die ene spits die dus eigenlijk ook op het middenveld stond.

Ik speelde normaal gesproken centraal achterin, maar de trainer had gehoord dat hun nummer tien de belangrijkste speler was. Een jongen die niet alleen beresterk was maar die ook nog kon voetballen. De trainer zei tegen me: We zetten jou op die nummer tien. Het kwam erop neer dat ik hem negentig minuten lang moest schaduwen. Als ik hem niet meer aan kon raken stond ik te ver van hem af.

Dat was een instructie waar ik iets mee kon. Dat aanraken.

Prettige wedstrijd, zei ik tegen de nummer tien.

Pret-ge whe-tijd, zei hij op zijn Zeeuws. Dat klinkt alsof er steeds een paar letters wegvallen, zoals bij een Zoomgesprek met slechte verbinding. In Zeeland was dat in de jaren tachtig heel normaal. Komt door de wind, maar ook omdat ze die lettergrepen bijna allemaal inslikken. In het oosten van het land slikken ze soms de N in, in Zeeland slikken ze halve woorden in. Lettergrepen zijn daar als mossels.

Vanaf het eerste fluitsignaal zorgde ik ervoor dat ik werkelijk iedere seconde tegen hem aanstond, en dat aanraken nam ik letterlijk. Steeds een knie tegen zijn bovenbeen, een elleboog tegen zijn rug, een hand tegen zijn schouder, een prikkende vinger in zijn zij, een paar noppen tegen zijn enkel. Daar werd in die tijd nog niet voor gefloten. In Zeeland werd er pas gefloten als iemands hoofd in het gras lag en het lijf waar hoofd dat bij hoorde lag ergens verderop.

De nummer tien werd helemaal gek van me. Ik stond bovenop hem en als de bal kwam won ik iedere keer het duel. Na een klein uur werd hij gewisseld. Dat maakte me niks uit, mijn opdracht bleef hetzelfde. Zijn vervanger was groter en sterker en kon minder goed voetballen. Ik deed het resterende halfuur precies hetzelfde.

Uitslag: 0-0.

In de bus terug was er tijd genoeg om de kratten lauwe pils die we die ochtend al in het gangpad hadden gezet op te drinken.

»

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen